De zoektocht van Alex Andriessen (vervolg)

Vervolg ‘De zoektocht van Alex Andriessen’

Maar, had ik bij mezelf gedacht, misschien heeft ie wel een zoon die nog thuis woont…

Ik wist sinds drie havo dat ik homo was, dus dat was nu een jaar of vier. In mijn havotijd was er niet veel gebeurd, want op mijn school in Hardenberg was ik de enige geweest, of in ieder geval de enige die ervoor uitkwam. Het waren jaren geweest van eindeloos hunkeren en rukken, maar nooit een vriendje en dus ook nooit seks. Wat was ik jaloers op mijn heterovrienden! Ik vond het helemaal niet leuk om homo te zijn. Mijn vrienden hoefden maar om zich heen te kijken om mooie meiden te zien die ze konden versieren, maar ik… ik was omringd door heterojongens die geen boodschap hadden aan mijn verlangens, en meisjes, waar ik op mijn beurt geen behoefte aan had. Steeds als ik mijn vrienden hoorde praten over hun veroveringen – zelfs al ging ik ervan uit dat de helft was verzonnen – dan werd me pijnlijk duidelijk hoeveel ik tekortkwam. Ik probeerde wel eens wat met een meisje, om te zien of het niet toch wat kon worden, maar ik werd echt alleen maar geil van jongens.

Ik ging natuurlijk surfen op chat- en datingsites; dat begon al toen ik een jaar of vijftien was, op een oude pc die mijn vader van iemand cadeau had gekregen. Tergend langzaam, dat ding, maar dat kon me niks schelen; ik wou zó graag! Maar waar andere jongens gewoon in de klas of onderweg naar school of in de kantine van de sportclub een leuk meisje van hun eigen leeftijd konden uitkiezen om werk van te maken, kwam ik in een wereld terecht die ik ervoer als groezelig en gevaarlijk.

Er waren me toch een foto’s bij! Dat moesten werkelijk mannen zijn die niet goed snik waren. Die waren in de meest schandalige posities gefotografeerd en keken brutaal de camera in terwijl ze hun hele blote, dikke, behaarde lijf lieten zien, met hun benen wijd. Soms zelfs met een dildo in hun hol, of met vrouwenondergoed aan! Mijn klasgenoten gingen ook wel eens naar die gaydatingsites – gewoon, voor de lol – en die lachten zich rot. Maar omdat ik ook homo was, vond ik het pijnlijk dat mijn ‘soortgenoten’ zulke dingen deden. Ik schaamde me voor hen.

En ik kreeg voortdurend ouwe kerels achter me aan. Dat zal je vermoedelijk niet verbazen, maar toch vond ik het onrechtvaardig. Hadden de jongens in mijn klas soms last van oude vrouwen die hen lastigvielen op een schoolfeest of in de disco? Ja, als meisjes op internet gingen, dan maakten ze dat ook mee, maar zij hóefden het internet niet op; zij hadden genoeg mogelijkheden om daarbuiten jongens te ontmoeten. Ik niet.

Sommige mannen op de sites waren er open over dat ze oud waren – hoewel ik me er terdege van bewust was dat een vent die ‘eerlijk’ zei dat ie vijfendertig was, ook best veertig of zestig kon wezen – maar vaak ook deden ze een hele tijd net alsof ze achttien waren, en kwam je er later pas achter dat het het dubbele was. Al snel begon ik er zonder foto helemaal niet meer aan. Maar zelfs dan. Af en toe zat ik te chatten omdat ze zo’n leuke foto hadden op hun profiel, en dan vertelden ze langs hun neus weg dat het geen foto van henzelf was, maar ‘dat ze er wel ongeveer zo uitzagen’! Ik had steeds het gevoel dat ik iedereen moest wantrouwen. Zelf had ik ook een gunstige foto op mijn profiel gezet, eerlijk is eerlijk, maar het was wel gewoon een foto van mezelf, waarop ik eruitzag zoals ik in het echt was: geen fotomodel, dat niet, maar best een leuke jongen. Om teamsporten gaf ik niet zo veel, maar ik had altijd graag gezwommen en hardgelopen en zelfs een paar jaar fanatiek geturnd en dat was beslist te zien. Ja, ik was niet zo’n clichéhomo die niet mee kan komen in de gymles, hoor!

Sommige ouwe kerels boden nog geld ook, heus waar; ik kon zo honderd euro krijgen als ik langskwam. Jakkes, wat dachten ze wel niet? Waarom werd ik als een hoer beschouwd, alleen omdat ik op jongens viel?

Als ik eindelijk een jongen van mijn leeftijd had gevonden met een cam, die er goed uitzag en die mij wel zag zitten, dan was het meestal te ver weg. Ik durfde geen jongens bij ons thuis langs te laten komen. Ik had mijn ouders wel verteld dat ik homo was, hoor. Daarop hadden ze verdrietig gereageerd, maar gelukkig niet boos. En dat ze verdrietig waren, ja, dat snapte ik wel. Dat was ik zelf ook. Je schiet er tenslotte niks mee op; je leven wordt er alleen maar ingewikkelder van. Dus mijn vader en moeder wisten ervan, maar thuis met een jongen afspreken, dat vond ik te ver gaan. Dus moest ik elke keer de hort op. Nou, en als je op het platteland van Overijssel woont, dan wonen de leuke jongens niet om de hoek!

Ik was ook wel eens naar een coc gegaan, in Zwolle en in Deventer, hoewel dat ook niet naast de deur was. Maar daar waren al helemaal geen jongens van mijn leeftijd. Allemaal mannen en oudere heren. Toen ik dat had gezien, was ik snel weer vertrokken. Toch maar weer het internet op.

Natuurlijk sprak ik af en toe met iemand af; ik wou zó graag een relatie. Of op zijn minst eindelijk een keer seks… Maar het was nooit de jongen die ik me altijd had voorgesteld als mijn vriendje: een normale jongen, net als ik, met wie het romantisch werd, waarna we gingen vrijen, gewoon, zoals mijn vrienden dat ook deden met hun vriendinnetjes. Nee, soms gingen ze bij de deur al direct aan me zitten, of ze wilden dat ik een pilletje slikte, of ze zaten erover op te scheppen met hoeveel andere jongens ze die week al seks hadden gehad, of zelfs op diezelfde dag! Ik wist niet wat ik hoorde. Soms waren ze zo dronken dat ze amper uit hun woorden konden komen. En áls het ‘normale’ jongens waren, zal ik maar zeggen, qua gedrag, dan waren ze niet… nou ja, niet echt aantrekkelijk. Ik kreeg er geen vlinders van in mijn buik. Dan bleken ze opeens een bril op te hebben, of ze zaten onder de puisten, of ze waren eigenlijk… iets te dik… en dan zit je daar, met je colaatje. Anderhalf of twee uur reizen van huis.

Na twintig minuten begint zo’n jongen dan aan je te zitten. Hij gaat achter je stoel staan en legt een hand op je schouder, of hij schuift langzaam over de bank naar je toe. En dan moet je beslissen: of ik ga iets doen met dit figuur, of ik ga naar huis. Meestal ging ik naar huis. Maar soms was ik zó wanhopig, dat ik me ertoe liet verleiden om bijvoorbeeld mijn broek door hem te laten uittrekken, of om met mijn hand in zijn gulp te gaan, en dan trokken we elkaar af. Dat was beter dan niets, maar ik herkende absoluut niet de extase waarmee de jongens in mijn klas vertelden over hun seksavontuurtjes.

Het was feitelijk ook geen echte seks natuurlijk, elkaar aftrekken. Maar veel verder durfde ik niet te gaan met de jongens die ik leerde kennen via het internet. Ik ervoer de homowereld, heel eerlijk gezegd, als eng. Als bedreigend. En als… ziek… Ja, werkelijk waar. Door al die getikte types en al die drugs, en in een zeker opzicht zelfs letterlijk. De jongens in mijn klas maakten zich bijvoorbeeld totaal niet druk over soa’s. Zij probeerden altijd om een meisje zonder condoom te neuken; ze gebruikten alleen een condoom als zij het per se wou. Ze schepten er ook over op tegen elkaar, wie het vaakst zonder was geweest bij een meisje. Als ik wel eens vroeg of ze niet bang waren voor een soa, dan haalden ze hun schouders op en zeiden dat het wel los zou lopen. En ze zeiden erbij: ‘Kijk jij daar zelf maar voor uit, want die homo’s hebben allemaal aids.’ Nou, dat was natuurlijk onzin, maar ik was er best van geschrokken hoeveel mannen op de datingsites ruiterlijk toegaven dat ze hiv hadden. Hoeveel moesten er dan nog zijn die dat niet toegaven? Plus nog degenen die het niet van zichzelf wisten. Ze hadden het allemaal over ‘bare’ dit en ‘bare’ dat. Wat denk je dat die mensen allemaal voor geslachtsziektes hebben? En ik wist heus wel dat je tegen hiv pillen kunt slikken, maar toch was ik als de dood om het op te lopen. Als ik bij een jongen over de vloer was en ik zat te vissen of ie soms wat had, dan gebeurde het me toch bliksems vaak dat hij begon te blozen en te hakkelen, of dat ie rustig knikte, of zelfs opgewekt zei: ‘Ja, hoor, ik heb hiv. Jij soms ook? Dat vind ik altijd wel zo relaxed.’ Dan zei ik tegen mezelf: wegwezen, Alex! Ik maakte me al uit de voeten als ik ergens in een badkamer potjes met medicijnen zag staan.

Kijk, ik zou gerust wel veilig gaan vrijen, wees daar maar niet bang voor. Maar het was volgens mij veiliger om veilig te vrijen met een jongen die het niet had dan met een jongen die het wel had. Waar of niet? Stel je voor dat er wat misging met dat condoom. Dat was een van de redenen dat ik zo graag gewoon een vaste, monogame relatie wilde: dat je dan kon vrijen zonder angst voor allerlei ziektes. Misschien zelfs wel, als we allebei getest waren, zonder condoom. Maar met een onbekende? No way hoor! Mijn moeder had de dag nadat ik had verteld dat ik homo was, een condoom op mijn nachtkastje gelegd. Eerst vond ik dat bemoeizuchtig, maar later dacht ik: ze heeft groot gelijk. We hadden het er samen ook wel eens over, over het daten, en dan drukte ze me op het hart om voorzichtig te zijn. Ik had dus altijd een condoom bij me als ik naar een date ging, maar helaas had ik het tot nu toe altijd ongebruikt weer mee naar huis genomen.

Nee, om je de waarheid te zeggen vond ik dat ik het niet had getroffen met mijn homogevoelens. Het speet me danig dat ik niet gewoon hetero was. Ik werd er overigens niet mee gepest of zo. Er waren wel eens jongens – nooit meisjes – die flauwe grappen maakten, maar echt gemeen werd het niet. In de zomer vroeg er regelmatig iemand of ik soms naar Amsterdam ging voor de Gay Pride, zodat ik op naaldhakken of in mijn blote kont op het journaal zou komen. Dat was niet kwaad bedoeld, maar toch… Het maakte me nijdig. Ik vond dat die freaks in Amsterdam het met hun clichégedrag verpestten voor ons, normale homo’s, die een normaal leven wilden leiden en graag door hun omgeving wilden worden geaccepteerd.

 – 2 –

 Al die gedachten en herinneringen gingen door me heen terwijl ik stond te wachten in de hal van het huis aan de Herengracht. Net toen ik me af begon te vragen waar die Govert van Veere in vredesnaam vandaan moest komen, hoorde ik de stem roepen: ‘Kom maar binnen, Alex. De deur staat open!’ Ik duwde aarzelend tegen de deur links van de spiegel, die op een kiertje stond, en keek naar binnen.

Daar zat meneer Van Veere, in een grote stoel, aan een tafel voor het raam. Ik kon ternauwernood een lach onderdrukken toen ik terugdacht aan mijn fantasieën over zijn zoon, want als meneer Van Veere een zoon zou hebben, dan zou die nu vijftig of zestig zijn, schatte ik. Want meneer Van Veere was oud. Niet zomaar oud, maar Heel. Erg. Oud. Een stuk ouder dan mijn oma. Hij was lang en had een smal gezicht, vol rimpels. Zijn ogen waren groot en donkerbruin. Ze keken me levendig en intelligent aan. Vriendelijk, zonder meer, maar ook kritisch. Hij had een stevige, wat gebogen neus en smalle lippen, die naar me leken te glimlachen. Zijn haar was dun en grijs, met een keurige scheiding aan de zijkant. Hij had grote oren. Hij droeg een pyjama onder een prachtige kamerjas, ik dacht van zijde of zoiets. En leren pantoffels. ‘Zo, dus jij bent Alex.’ Zijn stem klonk opmerkelijk krachtig.

    ‘Ja, meneer. U bent meneer Van Veere?’

    Hij knikte. ‘En jij komt hier klussen.’

‘Ja, meneer.’ Ik keek om me heen. Ik bevond me in een huiskamer en het vertrek was werkelijk grandioos. Het was heel groot, het had eenzelfde soort plafond als de hal en er lag een donkere parketvloer, die glansde als een spiegel; het leek net of er een vliesdun laagje water op het hout stond. Aan de muren hingen schilderijen en her en der stonden vazen en beelden en andere kunstwerken. Soms zag je meteen wat het voorstelde, maar soms ook niet. Er waren bijvoorbeeld moderne sculpturen bij van gekleurd glas, maar er stonden ook een paar enorme boeddhabeelden tegen de wand. Er stond één grote, platte schaal op een ronde tafel, een beetje apart van de rest, alsof het iets heel bijzonders was. Het meubilair was grotendeels antiek. Het schilderwerk van de kozijnen en deuren was perfect: stralend wit. En het uitzicht…! De kamer had vijf hoge ramen, waardoor je op de gracht keek; aan de zijkanten ervan hingen zware overgordijnen. ‘Wat is het hier prachtig, meneer…’

    ‘Dank je. Ga zitten, Alex.’ Ik nam plaats op de stoel die hij me aanwees, met uitzicht op de gracht. ‘Sorry dat ik je heb laten wachten, maar ik was even gaan liggen. Wil je thee?’

    ‘Graag, meneer.’ Hij stond moeizaam op, pakte een wandelstok en schuifelde de kamer uit, door een deur aan de linkerkant. Hij was inderdaad lang.

    ‘Zal ik het even doen, meneer? Dan kunt u blijven zitten.’

‘Ik zit al de hele dag, jongen. Maar het is heel vriendelijk van je.’ Ik hoorde hem in de ruimte ernaast met serviesgoed scharrelen en vroeg me af hoe hij een dienblad of een theepot en twee kopjes de kamer in ging dragen, als hij met een stok moest lopen.

Maar meneer Van Veere kwam terug met een karretje, dat hij met één hand aan een lange handgreep voorttrok, op wieltjes met rubberen bandjes. Op het karretje stonden een theepot op een lichtje, twee kop en schotels, een suikerpot en nog wat andere schaaltjes. De wieltjes draaiden soepel en het karretje reed zo stabiel, dat de kopjes niet eens rinkelden op hun schoteltjes. ‘Dat is een mooi karretje, meneer!’

 ‘Ja, hè? Als je niet meer alles kunt wat je wel zou willen, dan moet je goed over de dingen nadenken, Alex.’ Hij schonk de thee in. De kopjes waren van flinterdun porselein; je kon er zowat doorheen kijken. ‘Citroen?’

    ‘Eh… dat ken ik niet, meneer.’

‘Het is heerlijk. Ik drink nooit thee zonder citroen.’ Hij pakte een schaaltje van het karretje met halve schijfjes citroen erop en een soort knijper. Hij kneep een van de schijfjes uit boven zijn kopje en gaf het schaaltje aan mij. Die knijper, die was van zilver, volgens mij! Het was wel poepchic hier allemaal, zeg. Ik kwam uit een eenvoudig gezin – je mocht wel zeggen dat we het niet breed hadden thuis – en ik voelde me meestal niet erg op mijn gemak bij mensen die heel rijk en deftig waren. Ik had dan het idee dat ze op mij zouden neerkijken. Maar ik pakte dapper het zilveren knijpertje en liet het citroensap voorzichtig in mijn kopje druppelen.

Ik proefde. ‘Het is erg lekker, meneer.’

    ‘Mooi zo. Je bent een beleefde jongen, Alex.’

    ‘Dank u wel, meneer.’ Mijn moeder zou trots op me zijn, dacht ik bij mezelf.

 ‘Goed, Alex. Ter zake. Wat is jouw tarief?’

‘Twintig euro per uur, meneer, zo in het handje. En daar krijgt u vakwerk voor, hoor! U krijgt van tevoren een kostenraming, inclusief materiaal, en ik geef een seintje als ik aan zie komen dat ik daar meer dan tien procent overheen ga.’

    ‘Je lijkt een boel ervaring te hebben.’ Hij bekeek me aandachtig. ‘Terwijl je… nog heel jong bent, volgens mij. Achttien? Negentien? ‘

    ‘Negentien, meneer.’

    ‘Juist.’

‘Mijn vader had vroeger een bouwbedrijf, voor hij ziek werd. Hij heeft me alles geleerd. En hij zei altijd tegen me: “Je kan nog zo’n goeie bouwvakker zijn, als je geen duidelijke afspraken maakt met je klanten, dan ga je onherroepelijk failliet.” Ik heb alleen geen officieel bedrijf, dus ik kan geen rekening sturen. Het is zwart.’

    Hij knikte. ‘Ik vind alleen het tarief erg laag, voor zo’n ervaren klusser.’

    Hè? Dat had nog nooit iemand tegen me gezegd! ‘Wat had u dan gedacht?’ vroeg ik behoedzaam, mijn vreugde verbergend.

    ‘Als jij zo goed bent als je zelf zegt, dan hoor je volgens mij wel dertig euro per uur te verdienen.’

    Allemachtig! Vijftig procent opslag, nog voor ik was begonnen! Dit was een goed adresje… ‘Zoals u wilt, meneer,’ haastte ik me te zeggen.

Meneer Van Veere vertelde wat er moest gebeuren. Het waren een paar kleine klusjes. Zijn bed moest wat worden verhoogd, want hij kon er niet meer goed uit komen en hij wilde geen ziekenhuisbed ‘zolang het te vermijden was’. Daarnaast moest er een drempel uit de deuropening van de badkamer worden weggehaald, omdat hij daar zijn karretje niet overheen kon trekken. Meneer Van Veere stond op om het me te laten zien. Dus kwam ik ook overeind en draaide me om, om achter hem aan te lopen, de kamer uit.

Daardoor zag ik – toen voor het eerst – de wand naast de deur waardoor ik naar binnen was gekomen; daar had ik de hele tijd met mijn rug naartoe gezeten. En midden op die wand, daar hing een reusachtig schilderij, van wel twee meter hoog en meer dan een meter breed, van een jongen in zijn blote kont. De jongen was rond de twintig en stond bij een meertje. Hij had een gespierde rug en een stel volle, ronde billen. Mijn mond viel open en ik voelde het bloed naar mijn hoofd stijgen. Godsamme! Wat kregen we nou? Was ik hier soms beland bij een of andere ouwe nicht? Dat die man zich niet geneerde, op zijn leeftijd, met een prent aan de muur van een gast in zijn blote reet… En dan zo’n joekel van een schilderij! Volgens mij kon je het zelfs van de overkant van de gracht zien hangen…

Geschrokken keek ik naar meneer Van Veere. Die stond heel rustig naar me te glimlachen. Hij zei niets; er blonk alleen een spottend lichtje in zijn ogen. Om mezelf een houding te geven keek ik weer naar het schilderij. Aandachtig, alsof ik met kennis van zaken de techniek bestudeerde. ‘Dat is een mooi schilderij, meneer.’ Mijn stem klonk een beetje schor, goddorie…

    ‘Dank je. Loop je mee?’

    ‘Ja, meneer.’ Ik liep achter hem aan de hal in. Op de een of andere manier was hij zo oud en zo voornaam, dat ik er helemaal niet bij stil had gestaan dat hij wel eens homo zou kunnen zijn. Zou het niet gewoon… een schilderij van zijn kleinzoon zijn? Maar… je kleinzoon aan de muur… in zijn blote gat? Kom nou. Dat doet geen enkele opa. Zelfs niet in Amsterdam.

Want Amsterdam was geen Hardenberg, dat had ik wel begrepen. Daarom was ik hier ook gaan studeren. Ik had er zo naar uitgezien! In Amsterdam woonden eindeloos veel homo’s. Die verknipte figuren van de Gay Pride uiteraard, maar er zouden toch ook wel normale homo’s wonen? Er waren er hier duizenden! Daartussen moest ik toch een leuke vriend kunnen vinden?

    Maar het was me niet meegevallen. Natuurlijk, er waren mooie jongens in overvloed, niet alleen op straat, maar ook in winkels, cafés en trams, en zelfs op mijn opleiding. Maar ik vond het lastig om contact te maken: hoe moest ik nou weten of ze homo waren? In andere situaties was ik niet zo verlegen, maar… om zomaar een jongen aan te spreken op straat, of in de kantine… Ik had het wel eens geprobeerd, hoor: Kun je me zeggen waar het Leidseplein is? Daar en daar. Dank je wel. Weet je hoe laat het is? Half vier. Okay, bedankt. En dan?

    Er had wel eens een hele knappe jongen strak naar me gekeken, in de Ferdinand Bolstraat, en ik had met kloppend hart teruggekeken. Hij was gestopt en had een etalage van de HEMA bestudeerd. Ik was blijven kijken. Hij was donkerblond en hij had prachtige ogen. Hij was zo ontstellend mooi, dat ik mijn kleine beetje zelfvertrouwen op slag verloor. Hij kwam warempel mijn kant op drentelen! Zou hij homo zijn? Vast wel. Anders zou hij toch niet naar me toe komen? Trillend van de zenuwen deed ik op mijn beurt een stap in zijn richting. ‘Hoi,’ zei hij tegen me.

    ‘Hoi!’ Mijn hart bonkte.

    ‘Alles goed?’

    ‘Ja. Met jou?’

    ‘Ja, lekker.’ Daar stonden we dan. Een beetje om ons heen te kijken. ‘Nou, doei maar weer, hè.’

    ‘Ja. Doei.’ Verschrikkelijk. Wat een gemiste kans! Maar ik wist eenvoudigweg niet wat ik moest zeggen. En dat kwam doordat ik datgene wat ik wílde zeggen, niet kón zeggen. Toch? Of had ik soms tegen ’m moeten zeggen: ‘Hé, vreemde jongen, wat ben je mooi! Ik wil graag je vriendje worden. Kom ’ns hier, want ik wil je kussen, ik wil je broek openmaken, ik wil met je vrijen!’ Had ik dat moeten zeggen, voor de etalage van de HEMA? Verdorie, hoe werkte dat toch? Ik wist het niet en ik had niemand aan wie ik het kon vragen.

Ik ging vanzelfsprekend ook weer daten. Veel meer keus dan in Hardenberg! Maar op de een of andere manier bracht dat zijn eigen problemen met zich mee. Juist omdat er zo veel keus was, leken de jongens hier kritischer te zijn dan in Overijssel. De jongens die er lekker uitzagen en geen rare dingen in hun profiel hadden staan, schreven meestal dat ik hun type niet was. Áls ze al schreven, want nog vaker reageerden ze überhaupt niet. Hoe kon dat nou? Ik zag er toch best goed uit?

Ik werd er nog onzekerder van, schaafde voortdurend aan de tekst in mijn profiel en plaatste er alsmaar andere foto’s bij, maar helpen deed het niet.

Niet dat ik nooit een date had. Af en toe lukte het om een afspraak te maken. Ik begon daar zelf eerder over dan toen ik nog in Hardenberg woonde omdat hier de afstanden veel kleiner waren en het nu minder erg was als mijn date zou tegenvallen. Maar daar stond tegenover dat het me nu vaak overkwam dat ik voor een afspraakje naar Osdorp fietste – wat nog best een eind was vanuit De Pijp – of met het pontje helemaal naar Noord ging, en dat er domweg niet open werd gedaan! Ik snapte er niks van: waarom spraken ze dan af? Of dat ik onderweg een sms kreeg dat het toch niet zo gelegen kwam, en of ik niet de volgende dag wilde komen. Als we afspraken dat ze naar mij toe zouden komen – dat kon eindelijk, sinds ik op mezelf woonde – dan deed ik best wel moeite voor zo’n jongen. Uitgebreid douchen; grondig scheren; ja, inderdaad, ook ‘daar’… Dat had ik eerst wel raar gevonden, maar uiteindelijk moest ik toegeven dat het gewoon veel mooier was. Ik trok een dure onderbroek aan en een gestreken overhemd en ik verschoonde mijn bed en stak een paar kaarsen aan en zo. En niet zelden kon ik vervolgens wachten tot ik een ons woog, want meer dan de helft van mijn dates kwam botweg niet opdagen.

 En áls het tot een ontmoeting kwam, bij hem of bij mij, dan bleek het eigenlijk elke keer iemand te zijn die qua uiterlijk tegenviel, of aan wie een steekje los was. Ik dacht dat ik op dat gebied wel wat gewend was, maar nee, hoor. Alles wat me bij de homo’s in Overijssel al dwars had gezeten leek in Amsterdam wel tienvoudig uitvergroot te zijn: ze graaiden al tussen mijn benen terwijl ik nog in het trappenhuis stond, of ze wilden allerlei abnormale dingen met handboeien en zweepjes en blinddoeken, of ze wilden alleen zonder condoom, of ze hadden al hun dozen met medicijnen open en bloot op tafel staan, of ze waren superverwijfd, of ze zaten onder de drugs… Godallemachtig, het leek wel alsof ik in een gekkenhuis was beland! Wáren er wel normale homo’s in Amsterdam? Ik begon er ernstig aan te twijfelen. Ik bedoel, we leven in een vrij land: je mag als man op mannen vallen in plaats van op vrouwen, maar waarom moet je dan meteen allerlei rare en vieze dingen doen? Ik begreep het gewoon niet.

Maar ik was niet langer aangewezen op het internet, want in tegenstelling tot Overijssel beschikte Amsterdam over homokroegen en homodisco’s. Dat had mij altijd fantastisch geleken, want dan zag je een jongen immers in het echt voordat je god weet waarnaartoe reisde. Je sprak met hem en je kon met eigen ogen zien of hij een beetje normaal was en of hij er ook van dichtbij goed uitzag.

Dus je begrijpt: onmiddellijk na mijn verhuizing was ik gaan stappen. Naar een gewone homokroeg, natuurlijk; ik had op internet wel gezien dat er in Amsterdam ook hele extreme tenten waren, maar daar bleef ik ver uit de buurt. Biertje besteld, zenuwachtig om me heen gekeken. Veel engerds en oude mannen, dat had ik snel in de smiezen. Een boomlange travestiet, bij wie ik angstvallig uit de buurt bleef. Een paar leuke jongens, maar die hoorden bij een groepje en waren uitgelaten met elkaar aan de praat.

Toen ik de eerste slok van mijn biertje nam, werd ik al aangesproken. De man was enigszins pafferig, kalend, zeker wel veertig jaar en hij had nog een bril op ook. ‘Zo, wat ben jij een mooie jongen!’ Ik keek hem aan en schudde schichtig mijn hoofd. ‘Nee, vind je niet? Nou, ik vind van wel hoor, ik vind je heel lekker.’ Mijn god… Waarom moest ik homo zijn? Waar had ik dit aan verdiend? Werden heterojongens in een café soms lastiggevallen door lelijke vrouwen van veertig die van geen ophouden wisten? Ik zuchtte diep en richtte demonstratief mijn blik op het plafond. Dan haak je wel af, zou je zeggen. Maar nee hoor, gewoon doordrammen. ‘Lang geleden dat ik zo’n mooie jongen heb gezien. Wil je wat van me drinken?’ En toen ik met een chagrijnig gezicht op mijn volle glas wees: ‘O, je hebt al wat! Dat had ik niet gezien.’

    ‘O nee?’ bitste ik. ‘Het staat anders pal voor je snufferd!’

‘Ja, maar ik was zo in jou verdiept…’ Terwijl hij dat zei, gleed er een arm om mijn schouder, als een enge slang die stiekem trachtte me in zijn greep te nemen. Ik schudde de slang van me af, gaf de vent nog een vinnige tik op zijn vingers, griste mijn glas mee en ging een eindje verderop staan. Bleef ie nog steeds naar me staan lachen en knipogen! Ik sloeg mijn biertje achterover en vertrok.

En zo verging het me feitelijk iedere keer: de leuke jongens waren met elkaar in gesprek en terwijl ik in mijn eentje tegen een muur of een pilaar aan geleund stond, was ik een makkelijke prooi voor de talloze onaantrekkelijke, oudere mannen die in die cafés op zoek zijn naar een onervaren, jonge jongen. Ze zijn schaamteloos: hoe venijnig je ze ook afbekt, ze blijven het gewoon proberen.

In de badkamer bespraken meneer Van Veere en ik de verschillende mogelijkheden om na het weghalen van de drempel het gat dicht te maken. Het luchtte me op om te kunnen praten over iets waar ik verstand van had.

Toen het bed. Ik bloosde weer een beetje toen we zijn slaapkamer binnengingen. Dat voelde op de een of andere manier intiem, nu ik vermoedde dat hij homo was. Ik keek strak naar de poten van het bed, als de dood dat ik ergens een onderbroek van hem zou zien. Of weer een of ander gewaagd ‘kunstwerk’…

Mijn oma had een eenpersoonsbed genomen toen mijn opa was overleden. Dat had ik normaal gevonden. Waarom zou je in je eentje in een tweepersoonsbed blijven liggen? Maar hier stond een tweepersoonsbed, jazeker. Woonde meneer Van Veere hier soms met een… vriend? Wat moest hij anders met een tweepersoonsbed? Of zou hij nog wel eens… bezoek krijgen?

Ik werd een beetje akelig van de gedachte dat meneer Van Veere met een andere man in dat bed zou liggen, zonder pyjama aan, en dat ze misschien samen… Ik concentreerde me op het klusprobleem. Een paar houten blokken onder de poten van dat bed, dat was het simpelst. Grote blokken, dat wel, waarop de poten op de een of andere manier vastgezet konden worden, zodat het bed er niet vanaf zou donderen als het… als het een beetje zou bewegen… Jakkes, daar ging ik weer. Gelukkig liepen we snel de slaapkamer uit, terug naar de gracht.

Ik ging zitten, veilig met mijn rug naar het schilderij. Ik had het erg warm. Ik vertelde meneer Van Veere hoeveel uur het me zou kosten en op hoeveel ik het materiaal schatte. Hij vond het prima en ik schreef het bedrag voor hem op een stuk papier. De vrijdag erop, op 2 oktober 2012, zou ik beginnen, ’s morgens om tien uur. Wilde ik een voorschot voor het materiaal? Ja, dat was wel prettig. Hij haalde zomaar vier briefjes van vijftig euro uit de zak van zijn kamerjas. Ik schreef op mijn ‘offerte’ dat ik het bedrag had ontvangen en klaar waren we.

Ik slaakte een zucht van opluchting toen ik de buitendeur achter me dichttrok. Poeh!

Einde fragment.

Meer lezen?
Je kunt het boek hier kopen.