Het warenhuis (vervolg)

Vervolg ‘Het warenhuis’

Fons vond het grandioos. Op de middelbare school was hij altijd de enige homo geweest – voor zover hij wist. En hij had zijn geheim zorgvuldig bewaakt, want ook zonder dat zijn homoseksualiteit bekend was, werd hij al genoeg gepest, met name door de jongens van de havo. Als hij zich eens, in een onbewaakt moment, een beetje meisjesachtig gedroeg, dan gingen ze naast hem staan en deden overdreven verwijfd zijn gebaren na.

    Tijdens zijn propedeusejaar aan de universiteit had hij het al wat makkelijker gehad, maar ook daar waren maar drie openlijke homo’s geweest, die samen een min of meer apart groepje hadden gevormd. Het waren nogal alternatieve types, en Fons had er niet zo’n trek in gehad om zich bij hen aan te sluiten. Hij had een paar medestudenten met wie hij close was over zijn homoseksualiteit verteld, verder niemand. Af en toe had hij zichzelf erop betrapt dat hij in een kledingzaak een overhemd met een mix van spetterende kleuren op het laatste moment haastig omruilde voor een effen donkergroen of donkerblauw exemplaar; hooguit met een streepje. Hij baalde daar stevig van, maar hij had domweg niet het lef om zo duidelijk af te wijken van de meerderheid.

    Maar hier, in het warenhuis, hoefde hij zich geen zorgen te maken over zijn uiterlijk of zijn gedrag! Op de winkelafdelingen hielden de meeste employés zich nog enigszins gedeisd – hoewel ook daar volop met heupen werd gewiegd en met wimpers gefladderd – maar het personeelsrestaurant was net een reusachtige volière met tropische vogels, zowel qua aanblik als voor wat betreft de schrille geluiden die eruit opstegen. Fons was helemaal op zijn plek in deze wereld van drama en uiterlijk vertoon en hij genoot er intens van om zich eindelijk van zijn nichterigste kant te kunnen laten zien.

Als hij nu kleding ging kopen, hoefde hij zijn hang naar felle kleuren en glitters niet meer te beteugelen, In de trein had hij een jas aan, daar zag geen mens wat ie eronder droeg, en in het warenhuis kon het niet gek genoeg. Dus Fons liet zichzelf gaan!

    En niet alleen qua kleding: ook zijn gezicht en zijn stem werden expressiever en zijn gebaren uitbundiger. Ja, we kunnen zonder terughoudendheid stellen dat onze jonge held ‘opbloeide’ nu hij niet langer werd beknot door de vrees om uit de toon te vallen en buitengesloten te worden.

Nu en dan mocht Fons invallen bij de kiosk. Daar werden kranten en tijdschriften verkocht. Fons stond graag in de kiosk. De tijdschriften kwamen van over de hele wereld en stonden vol met bloedmooie mannen die de laatste mode droegen, maar bovendien was de kiosk naast de platenafdeling, en die was heel glamourous; daar werkten een boel jonge, hippe homo’s en ze draaiden de hele dag muziek die in was, op een volume dat er niet om loog.

    Dit najaar was er een uitvoering van de West Side Story uitgebracht waarbij Leonard Bernstein zijn eigen meesterwerk dirigeerde, met het fenomenale Israel Philharmonic Orchestra en een keur aan operasterren van absolute wereldklasse: Kiri te Kanawa, José Carreras, dat kaliber. Búitengewoon glamourous. Het warenhuis had ervoor gekozen deze productie in aanloop naar de feestdagen krachtig te promoten: overal op de platenafdeling hing het reclamedrukwerk en er stond een groot televisiescherm, waarop continu een video werd afgespeeld met ‘The Making of’. De wereldberoemde songs schalden uit de luidsprekers: ‘Maria’, ‘Somewhere’, ‘Tonight’, achter elkaar door, dag in dag uit.

    In de kiosk kochten de klanten relatief veel kleine artikelen voor contant geld. Geen creditcards, geen girobetaalkaarten, geen boekenbonnen, geen cadeautjes. Daardoor bestond het werk uit een monotoon aanslaan op de kassa en afrekenen. Fons had daar geen problemen mee, integendeel; binnen de kortste keren kende hij alle nummers van de West Side Story uit zijn hoofd en roffelden de vingers van zijn rechterhand op het toetsenbord van de kassa precies in het ritme van de muziek, alsof hij een pianovirtuoos was met één hand. De ‘Jet Song’, ‘America’, de ene hit na de andere, tot groot vermaak van klanten en collega’s. Soms zong hij hardop mee en bij teksten als ‘I Feel Pretty’ knipoogde hij schalks naar zijn publiek.

– 3 –

Vlak voor Fons liep een vrouw van begin dertig door het poortje. Kort haar, slank, beige regenjas. Zoemer, groene lamp, hekje open. Nu was hij zelf aan de beurt. Hij drukte op de bolle knop. Zoemer, groene lamp, hekje open. Net toen hij de straat op stapte, hoorde hij achter zich het alarm gillen. Hij keek om en pakte zijn notitieboekje. ‘19 november 1985: meisje, begin twintig, slank, halflang krullend haar, donkerblond, hoge hakken. Laconiek.’

Toen hij er een paar weken werkte, was het tot Fons doorgedrongen dat het feit dat de homo’s in het warenhuis een meerderheid vormden, hem niet alleen een gevoel van vrijheid gaf, ten opzichte van de weinige heterocollega’s, de vrijheid om helemaal zichzelf te zijn, maar zelfs… ja, als hij heel eerlijk moest zijn, dan ervoer hij zelfs een zeker gevoel van… macht.

    Op straat, in andere winkels en in het openbaar vervoer, was de aanwezigheid van heteromannen voor hem altijd reden voor een constante alertheid; het was een dreiging die voortdurend in de lucht hing. Kijk uit, Fons. Niet laten merken dat je homo bent. En vooral niet laten merken dat je ze geil vindt. Pas op! Zorg dat je niet wordt betrapt terwijl je naar ze loopt te loeren.

    In het warenhuis lag dat anders. De heteromannen die op de boekenafdeling werkten, waren intellectuele, ruimdenkende figuren. Als Fons in een overhemd van felroze satijn achter de kassa stond, dan vroeg een van hen wel eens met een opgetrokken wenkbrauw of hij soms een trapeze-act ging doen in de vide van het pand, maar over het algemeen waren het mannen die het gekwetter en gelonk om hen heen welwillend verdroegen. Maar de beveiligers van het warenhuis, dat was andere koffie. Die gasten deden Fons sterk denken aan de jongens vroeger in de supermarkt en op de havo. Hetero, macho, nors. Qua houding ten opzichte van hem en zijn gevoelsgenoten variërend van afstandelijk tot ronduit vijandig. Alleen… nu waren de rollen omgedraaid! In de aula van de middelbare school en in de trein en op straat waren die hetero’s de baas; daar bevond hij zich op hun terrein. Maar hier maakte híj opeens deel uit van de meerderheid; hier kwamen de beveiligers op zíjn terrein!

    Als de stoere jongens in uniform over de afdeling liepen en Fons ongegeneerd de gespierde billen in hun donkerblauwe broeken bewonderde, dan keken ze wel verbolgen naar hem, maar ze zeiden niets. En als een van de beveiligers zich in het kassablok begaf, waar hij moest knielen om de kluisjes te legen waarin de verkoopmedewerkers de vijftig- en honderdguldenbiljetten opborgen, dan kirde Fons tegen een collega: ‘Moet je zien! Zit die stoere goser alwéér tussen mijn benen!’, waarop zijn collega proestend lachte. De knielende man wierp Fons een nijdige blik toe, maar daar bleef het bij.

    Het werd voor Fons een steeds terugkerend spelletje om de jongens uit te dagen en pikante grapjes te maken. En voor dat laatste hoefde hij bepaald geen toneel te spelen. Want hij mocht zich dan goed op zijn gemak voelen bij al die modieus gekapte en zwierig geklede collega’s, als hij nou moest zeggen waar hij geil van werd, dan waren dat toch die spierbonken van de beveiliging, met hun brede nekken en hun gemillimeterde koppen, hun zweetlucht en de zware tred van hun plompe zwarte schoenen op het glanzende marmer. Vooral de donkere jongens. Want waar het verkooppersoneel voor het overgrote deel wit was, werkten er bij de beveiliging opvallend veel Surinamers en Antillianen.

Donkere mannen hadden Fons altijd geïntrigeerd, zo lang als hij zich kon herinneren. Toen hij een kind was van een jaar of vijf, woonden zijn ouders in een klein dorp in het Groene Hart. Dat was eind jaren zestig geweest, daar had je toen helemaal nog geen mensen met een donkere huid. Hij had eens samen met zijn moeder met de trein gereisd en toen was tegenover hen een zwarte man gaan zitten. Fons had onafgebroken naar de man zitten staren. Op enig moment was hij op hem afgestapt en had heel onbevangen aan de hand van de man gevoeld. De man had hem rustig zijn gang laten gaan. De kleine Fons had vervolgens aan zijn vingertop gelikt en was vlijtig over de huid van de man gaan boenen. Hij had zich omgedraaid en met zijn hoge stem tegen zijn moeder geroepen: ‘Nee hoor, het gaat er niet af!’ Hij herinnerde het zich nog, maar daarnaast had zijn moeder het verhaal vaak verteld: hoe ze een kop als een boei had gekregen en zich haastig had verontschuldigd, en hoe de donkere man bulderend had gelachen.

    Op de middelbare school had de klas van Fons een keer samen met een andere klas gedoucht na de gymles; in die andere klas hadden twee donkere jongens gezeten. Fons kreeg nog altijd een droge keel als hij eraan terugdacht, hoewel het al vijf of zes jaar geleden was. Hij zag die twee gladde, gespierde zwarte lijven nóg voor zich, met die hoge, ronde billen, maar vooral met die twee grote, zwarte lullen die log heen en weer zwaaiden. Hij had voortdurend uit zijn ooghoeken zitten gluren, als de dood om te worden betrapt maar niet in staat om naar iets anders te kijken. Hij had zich nog jarenlang afgetrokken met dat beeld voor ogen.

    Tot vorig jaar. Want sindsdien ging hij dagelijks met de trein naar Amsterdam. En in de hal van het Centraal Station waren maar liefst drie kiosken waar Amerikaanse homoseksbladen werden verkocht. Glanzende tijdschriften, boordevol met foto’s van blote mannen. Ze hadden namen als Playguy en Mandate, Honcho, Inches en Stallion. In sommige stonden foto’s met stijve pikken en in sommige zag je alleen slappe, of hooguit halfharde. Fons had al snel in de smiezen in welke titels de erecties stonden. Alle seksbladen in die kiosken lagen vlak bij de kassa, zodat hij heel wat moest overwinnen om er een te pakken en het jachtig door te bladeren, terwijl degene die de kassa bemande laatdunkend naar hem zat te kijken, zodat hij zich snel weer met een rooie kop uit de voeten maakte en naar een van de twee andere kiosken ging. Of hij kwam de volgende dag terug, als er iemand anders achter de kassa zat, om snel weer met zijn gretige ogen een paar foto’s af te grazen en zo veel mogelijk details ervan in zijn geheugen te prenten. Kopen deed hij ze maar zelden; die bladen kostten een vermogen, zelfs nu hij werkte: bijna een heel dagloon. Een enkele keer bezweek hij; natuurlijk altijd voor een exemplaar met foto’s van zwarte mannen. Sodeju, wat hadden die gasten een gigantische lullen… Het waren zijn favoriete rukfoto’s.

Want rukken, dat deed hij. Nou! Soms wel drie keer op een dag. Een vriendje had hij nog nooit gehad. En echte seks feitelijk ook niet. Hij had op zijn zestiende een keer gerotzooid met een neefje, op diens slaapkamer. Toen had hij voor het eerst een andere jongen afgetrokken, en omgekeerd. Fons had ook nog voorgesteld om elkaar te pijpen, maar daar wou zijn neefje niks van weten. En eerlijk gezegd was het daarbij gebleven. Niet omdat hij er niet naar verlangde, o nee; hij hunkerde ernaar. Hij vond het alleen zo lastig om met andere homo’s in contact te komen. Hij kwam ze domweg nooit tegen. En áls hij ze tegenkwam, dan waren het niet de types waar hij opgewonden van werd. De drie homo’s die hij had leren kennen tijdens zijn studie waren een stuk ouder dan hij en het waren ‘de meer intellectuele figuren’ zoals Fons ze noemde, en ze liepen nog altijd met van die grote jaren-zeventig-snorren. Brrr.

    O ja, hij was ook eens een keer blijven slapen op een studentenfeestje waar iedereen stomdronken was geworden, en toen had hij het niet kunnen laten om de gast die die nacht volkomen laveloos tegen hem aan had gelegen, te betasten, onder de opengeritste slaapzak die over hen heen lag. Hij besefte donders goed dat het niet in de haak was, maar hij kon gewoon geen weerstand bieden aan de verleiding. Hij had de pik en de ballen van de jongen bevoeld, zachtjes in zijn billen geknepen en hij had met zijn vingers over het kontgat gewreven; over de onderbroek heen, dat wel. Toen was hij gestopt. Niet zozeer omdat zijn geweten hem tot de orde had geroepen, als wel omdat er om hen heen opeens gefluister had geklonken en hij als de dood was geweest dat hij zou worden gesnapt.

    Hij was wel eens een homokroeg binnengestapt – eindelijk, na eerst een keer of vier met kloppend hart voor de deur te hebben gestaan en onverrichter zake weer te zijn afgedropen. Hij had een biertje besteld, maar toen hij daarna zenuwachtig om zich heen had gekeken, had hij alleen oudere heren gezien met gelooide gezichten en opgeföhnde kuiven en met ver opengeknoopte overhemden waardoorheen hun grijze borsthaar naar buiten kwam woekeren, gedecoreerd met gouden kettingen. Stuk voor stuk zaten ze gretig naar hem te kijken, maar de brutaalsten stonden op en kwamen meteen zijn kant op geschuifeld, stram maar vastberaden. Er waren geen leuke jongens in die kroeg. En zeker geen stoere jongens. En al helemaal geen stoere zwárte jongens! Nee, die zag hij alleen op straat en in de trein.

    En nu dus in het warenhuis. Godallemachtig, wat een buitenkans: eindelijk kon hij ze ongestraft beloeren. Want waar hij er op straat wel link voor uitkeek om te worden betrapt bij het gluren naar de grote bobbels van stoere, donkere jongens, ging hij in het warenhuis – mits er geen klanten met hun neus bovenop stonden – schaamteloos zijn gang. Hij schrok er zelfs niet voor terug om zachtjes te fluiten als hij aangenaam getroffen werd door de omvang van de stulping in kwestie.

    Een vrouwelijke collega die het hoorde, had eens tegen hem gezegd: ‘Joh, dat kan je toch niet maken?’

    ‘Hoezo niet?’ had hij gevraagd. ‘Als jij langs een bouwplaats loopt, dan fluiten die hetero’s toch ook naar jou?’

    ‘Ja… ja, dat is waar.’

    ‘Nou, dit is precies hetzelfde. Alleen ben jij het gewend, en zij niet.’

Als de jongens van de beveiliging lang de kiosk kwamen terwijl net ‘I Have a Love’ uit de speakers klonk, dan zong hij de tekst mee terwijl hij zwijmelende blikken in hun richting wierp:

I have a love, and it’s all that I have.

Right or wrong, what else can I do?

De ogen van de bewakers schoten vuur, maar ze konden er weinig tegen uitrichten. Op enig moment hadden ze er zo genoeg van dat ze de kiosk tijdens dat nummer vermeden, maar de promovideo van ‘West Side Story’ bleek stampvol te zitten met fragmenten waarmee Fons de jongens op de kast kon jagen:

Could it be? Yes, it could.

Something’s coming, something good,

If I can wait!

of:

Tonight, tonight,

I’ll see my love tonight.

And for us, stars will stop where they are!

Kortom, de bewakers waren om de haverklap de klos. Fons’ ongewenste avances werden ofwel verbeten genegeerd, ofwel beantwoord met blikken die varieerden van geërgerd tot ronduit razend, maar dat maakte het spelletje voor Fons alleen maar aantrekkelijker. Er waren altijd wel collega’s in de buurt die zijn streken amusant vonden en die in de reacties van de zwarte jongens sensatie roken. En die collega’s geilden zich óók op aan die zwarte jongens van de beveiliging, stuk voor stuk, alleen lieten zij het niet blijken. Ze keken wel, maar alleen vanuit hun ooghoeken. En ze maakten hun geile grapjes pas als de jongens allang weer uit het zicht waren. Fons ging verder dan wie dan ook en hij was snel en geestig en de collega’s lachten erom en ze bewonderden hem en ze moedigden hem aan. Daardoor liet Fons zich verleiden tot alsmaar gewaagder strapatsen. Ja, we kunnen niet ontkennen dat na verloop van tijd een zekere roekeloosheid bezit nam van onze jonge held en dat hij de voorzichtigheid allengs verder uit het oog verloor.

– 4 –

Fons stond in de rij voor het poortje. Alle employés moesten iedere avond door dat poortje voor ze naar huis mochten gaan.

Toen hij in dienst kwam, had de dame van Personeelszaken hem verteld dat in Nederland veertig procent van alle winkeldiefstallen wordt gepleegd door het eigen personeel. En dat de mensen die in zo’n groot warenhuis werkten nu eenmaal een afspiegeling waren van de samenleving en dat daarom de medewerkers ’s avonds door een poortje moesten lopen en daarbij op een knop moesten drukken. Vervolgens ging er een groene lamp branden, waarna het hekje openging, of een tweetal rode lampen, begeleid door een alarmsignaal, waarna er een controle volgde op de eventuele aanwezigheid van ontvreemde winkelgoederen. Het systeem selecteerde volstrekt willekeurig, legde de pz-dame uit. Gemiddeld werd een op de vijftig medewerkers gecontroleerd. Dus elke dag had iedereen twee procent kans om ertussenuit gehaald te worden. Fons’ arbeidsovereenkomst verplichtte hem ertoe om zich door de beveiligers te laten onderzoeken als dat van hem werd verlangd, en om altijd de kassabon bij zich te dragen van alle artikelen die hij bij zich had die in het warenhuis werden verkocht. De meeste collega’s, zei die mevrouw, legden een mapje aan met de bonnetjes van spullen die ze in het warenhuis hadden aangeschaft en die ze verwachtten regelmatig bij zich te hebben, zoals kleding of een tas of een agenda; op die manier kon je geen bonnetje vergeten en voorkwam je problemen. Fons had die raad secuur opgevolgd en het mapje met bonnetjes zat altijd in zijn rugzakje.

Rechts achter de rij wachtenden was het kantoortje van de beveiliging. Wie uit de rij werd gehaald, werd daar naar toe meegenomen. De ramen van het kantoortje hadden aan de buitenkant een spiegeleffect, maar het lag natuurlijk voor de hand dat degenen die zich in het kantoortje bevonden, gewoon naar buiten konden kijken; in de supermarkten waar Fons had gewerkt, hadden de kantoortjes ook zulke ramen gehad. Het gebouwtje stond in zijn geheel op een verhoging van iets minder dan een meter, naar we mogen aannemen om de beveiligers in staat te stellen over de hoofden van de aanwezigen heen de hele ruimte te overzien.

    Fons keek om zich heen. Al meteen op zijn eerste dag had hij vurig gehoopt hij dat hij eruit gepikt zou worden voor een controle. Het leek hem ongelofelijk opwindend om door zo’n stoere zwarte jongen betast te worden. Tenminste… zouden ze inderdaad fouilleren? Dat zou toch wel? Het had toch geen zin om alleen maar in je tas te kijken? Een kostbare pen of een leren portemonnee of een dure onderbroek, die kon je toch zo in je zak stoppen? Maar bij hem waren de rode lampen nog nooit gaan branden. Op zich was dat niet eens zo vreemd. Twee procent kans, dat betekende dat hij gemiddeld eens in de vijftig werkdagen mocht rekenen op een controle, en hij werkte hier pas een paar weken. Maar toch… Omdat Fons er zo op vlaste om door een van die spannende donkere jongens te worden onderzocht, keek hij altijd heel aandachtig naar de rij personeelsleden en bestudeerde nauwkeurig wie dat lot beschoren was. En al na een dag of tien had hij de indruk gekregen dat het selectiesysteem met de groene en de rode lampen helemaal niet zo willekeurig was als de dame van Personeelszaken wel had gezegd. Daarom was hij een notitieblokje bij zich gaan dragen, waarin hij de mensen beschreef bij wie de rode lampen gingen branden: hoe ze eruitzagen en of hij iets opmerkte aan hun gedrag, voor en tijdens hun aanhouding. En zo langzamerhand had hij gemeend een patroon te ontdekken.

Er waren naar Fons’ indruk twee groepen mensen die vaker dan anderen uit de rij werden gehaald voor controle. De eerste groep bestond uit mensen die zich enigszins afwijkend gedroegen, zoals voortdurend rondkijken, of strak voor zich uit staren, of juist druk snateren met de buurman. Of zo iemand echt iets bij zich had waarvan hij of zij geen kassabon bezat, dat wist Fons niet; hun bezoek aan het kantoortje duurde altijd langer dan hij moest wachten voor het poortje, dus hij zag nooit hoe het afliep. Twee keer had hij van collega’s gehoord dat er iemand was ontslagen wegens diefstal, maar dat was beide keren iemand die hij niet kende; niet zo raar, want er werkten wel achthonderd mensen in het warenhuis.

    De tweede groep mensen die relatief vaak uit de rij werden gehaald, waren… mooie meiden. Jazeker! Blijkbaar maakten de beveiligers het niet zo bont dat het anderen ook opviel, maar Fons was er behoorlijk zeker van dat hij het goed had gezien. Hij kon zich niet voorstellen dat de mannelijke beveiligers de vrouwelijke verkoopmedewerkers zelf mochten fouilleren, met name omdat er ook vrouwen bij de beveiliging werkten. Maar blijkbaar vond degene die heimelijk de groene en rode lampen aanstuurde – want dat die lampen werden aangestuurd, daarvan was Fons inmiddels overtuigd – het niettemin prettig, of belangrijk, of anderszins wenselijk, dat mooie meiden in verhouding vaak werden gecontroleerd. Als hij zelf zou worden gecontroleerd, dan zou hij wel eens goed kijken hoe het er aan toeging in dat kantoortje!

    Maar hij werd niet gecontroleerd. Hij was dan ook geen mooie meid. Uiteraard keek hij opzichtig om zich heen of staarde hij strak voor zich uit, of snaterde hij druk met zijn buurman, in een poging om op te vallen, maar lou loene. Blijkbaar beschikte degene die de lampen bediende over een behoorlijke portie mensenkennis en viel Fons als simulerende nepwinkeldief door de mand.

– 5 –

De feestdagen kwamen nu snel naderbij. Er werden pallets met decoratiemateriaal het warenhuis in gereden. Kerstbomen natuurlijk, maar ook in grootte variërende pakketten beplakt met goudfolie die door het hele pand trosgewijs aan de plafonds werden gehangen. Elke afdeling presenteerde producten die aansloten bij de trends van deze decembermaand: op Fons’ eigen afdeling werden tafels volgestapeld met kookboeken voor luxe diners, op de modeafdelingen werden de etalagepoppen gehuld in elegante avondkleding en bij wonen richtte men een complete kerstmarkt in, met kerstboomversiering en opschik voor een feestelijke dis, waarbij het warenhuis dit jaar voluit koos voor de combinatie van zwart en goud: servetten, kaarsen in alle denkbare vormen en afmetingen, tafellinten, kerststukjes, een keur aan bakjes, schaaltjes en schoteltjes: het was dit jaar zwart met goud wat de klok sloeg.

    Maar ook het Sinterklaasfeest kreeg veel aandacht. Op de speelgoedafdeling konden klanten iedere middag bij een sneldichter hun gedichten laten maken en her en der in het gebouw werden chocoladeletters, pepernoten, borstplaat en kleine figuurtjes van fondant aangeboden in hoge stellingen, die versierd waren met Zwarte-Pietenmutsen, Sinterklaasmijters en schoenen met wortels erin.

    In het midden van de winkel was een gigantische vide, zodat de eerste tot en met de vierde verdieping het daglicht opvingen dat door het glazen dak naar binnen viel. In die vide werden nu zes Zwarte Pieten opgehangen, reusachtige poppen, van meters hoog, die de hele dag in lange touwen naar boven klommen, helemaal tot in de nok van het gebouw, en zich vandaar weer naar beneden lieten zakken. Ze klommen natuurlijk niet echt; ze werden gewoon aan een kabel omhoog en omlaag getakeld, maar hun samengeklemde handen en voeten bewogen beurtelings op en neer over het touw, zodat het net leek alsof ze klommen. De poppen hadden veel bekijks van ouders met kinderen, die er onafgebroken opnamen van maakten met foto- en filmcamera’s.

    Terwijl Fons naar het schouwspel stond te kijken, leunend tegen de balustrade van de tweede verdieping, kwam een van de beveiligers bij hem staan. Het was Stanley. Stanley was Fons’ favoriet: een Surinamer van midden twintig met gemillimeterd kroeshaar; hij was niet lang, maar breed en enorm gespierd: hij had geweldige schouders en biceps en Fons keek maar wat graag naar de grote, bolle kont in de krappe uniformbroek. Maar ook aan de voorkant leek Stanley meer dan goed voorzien; tussen zijn machtige bovenbenen plooide de donkerblauwe stof zich strak rondom een formidabele bobbel, waar Fons zijn ogen niet van af kon houden. De man stond ongeveer een meter bij Fons vandaan, en de jongen rook de transpiratiegeur die Stanley altijd bij zich droeg; een kruidige, wat zoete lucht die hem mateloos opwond. Steeds als de geur zijn neusgaten trof, dan klonk er in zijn hoofd een stemmetje, dat fluisterde ‘negerzweet’. Voor geen prijs zou Fons dat woord hardop hebben uitgesproken, zelfs niet wanneer hij alleen op zijn kamer was, uit angst dat op de een of andere manier toch iemand het hem zou horen zeggen. Misschien was hij wel bang om het zichzelf te horen zeggen.

    ‘Mi gado[1], ik zal blij zijn als dat racistische kaulofeest[2] achter de rug is, hoor!’ zei de beveiliger met zijn stevige Surinaamse accent, terwijl hij met een bewolkte blik de Zwarte Pieten gadesloeg die onvermoeibaar in de vide op en neer klommen.

    In 1985 was de Nederlandse Zwarte-Piet-traditie nog lang niet zo omstreden als later het geval zou zijn, en net als zo veel andere Nederlanders had Fons er nooit bij stilgestaan dat gekleurde mensen dat gebruik als krenkend zouden ervaren. ‘Racistisch? Het is toch maar een onschuldig kinderfeestje?’

    Stanley maakte met zijn getuite lippen een afkeurend geluidje en keek Fons laatdunkend aan. ‘Onschuldig kinderfeestje… Laat me niet lachen. Het is een belediging!’ Hij had grote bruine ogen, met opmerkelijk lange wimpers.

    Vervolgens kon Fons het weer niet laten. ‘Wat ik veel erger vind, is dat die Zwarte Pieten hartstikke nep zijn! Vroeger bij ons op school waren het altijd verklede meiden. Wat heb je daar nou aan? Als je nou bij een échte zwarte kerel op schoot mocht zitten! Hmmm… lekker schurken tegen die grote roe van Zwarte Piet!’ Fons draaide kleine rondjes met zijn achterste, terwijl hij wulpse blikken wierp op de imposante uitstulping tussen Stanley’s massieve dijen.

    ‘Gado!!’ Stanley sloeg met zijn gebalde vuist op de balustrade. ‘Krijgen jullie daar zélf nooit genoeg van?’

    ‘Nee, nooit!’ schaterde Fons. Stanley draaide zich met een ruk om en beende weg. Fons keek hem grijnzend na. Jezus, wat een reet had die vent toch. Wat een stootkracht moest dat opleveren…

Diezelfde middag, achter de kassa, kreeg hij ineens een idee. Als zijn theorie klopte, en de beveiligers pikten de mensen eruit die zich zenuwachtig gedroegen, en zijn toneelstukje in de rij werkte alsmaar niet, dan moest hij gewoon zorgen dat hij oprécht zenuwachtig was. En hoe kon hij zorgen dat hij oprecht zenuwachtig was? Simpel. Door iets bij zich te hebben uit het assortiment van het warenhuis zonder dat hij een kassabon bezat! Met andere woorden: hij moest gewoon iets gappen.

    Nee Fons, niet doen! was zijn eerste gedachte. Het was te link. Stel je voor dat hij inderdaad werd betrapt! Dan vloog hij de laan uit. Zo’n leuk baantje als dit zou hij niet snel meer vinden. Een andere plek waar zo veel nichten werkten, was er waarschijnlijk in heel Nederland niet. Honderden vrolijke homo’s om pret mee te maken en twintig stoere beveiligingsjongens om jezelf aan op te geilen: zo goed kreeg hij het nergens.

    En toch… als hij zich voorstelde dat hij in de rij stond voor dat poortje met iets gejats in zijn tas, terwijl Stanley naar hem stond te kijken met die donkere ogen, dan bloosde hij al. En als hij in die rij zou blozen, dan zou het alarm afgaan en dan zou Stanley hem meenemen naar het kantoortje, om daar met zijn grote zwarte handen zijn huiverende jongenslijf te gaan betasten terwijl hij hem streng aankeek. Gódver, wat geil… Fons kreeg een erectie.


[1] mi gado is Surinaams-Nederlands voor : mijn god

[2] kaulo : poep of poepgat

 

Einde fragment.

Meer lezen?
Je kunt hier voor € 30 of meer bestellen, dan stuur ik je dit boekje gratis toe.