Sleepingbeauty.nl (vervolg)

Vervolg ‘Sleepingbeauty.nl’

 Of dat uniform wellicht in de royale sporttas zat die ze stuk voor stuk bij zich droegen, daar had hij een tijdje over zitten dubben. Het leek hem omslachtig om dat uniform iedere dag mee naar huis en weer terug naar de werkplek te zeulen, afgezien van de polo’s die gewassen moesten worden, hoewel er veel voor te zeggen viel om dat als werkgever aan een professionele wassalon uit te besteden. Nee, vermoedelijk zat er sportkleding in die tassen, want al die gespierde schouders en billen die hij hier aan zich voorbij zag trekken, kwamen natuurlijk niet uit de lucht vallen en waren ook stellig niet de vrucht van het patrouilleren door winkelstraten of het met twee vingers typen van processen-verbaal – Boudewijn had indertijd vol verbijstering zitten kijken naar de agent die zijn aangifte had opgenomen en die nog geen twintig aanslagen per minuut had gehaald.

    Hoe het ook zij, als die agenten in een spijkerbroek het bureau binnenkwamen en het in uniform weer verlieten, dan kon het niet anders dan dat al die kloeke kerels zich ergens in dit pand omkleedden. Ergens goed afgeschermd. Tenminste, dat zou je verwachten bij een organisatie die tot voor kort het lichaam van haar medewerkers nog zo zorgvuldig verborgen had gehouden als een Arabische sjeik zijn huwbare dochters – misschien, bedacht Boudewijn zich plotseling, niet eens zozeer met het oog op de potentiële teloorgang van opgemeld gezag als wel vanwege de hekel die de meeste heteromannen eraan hebben om zelf als lustobject te worden gezien. Met name als dat door andere mannen is. Want zij weten hoe die andere mannen loeren en wat ze denken: namelijk precies zoals zij zelf naar vrouwen kijken en over ze fantaseren. Die neiging om zichzelf aan andermans ogen te onttrekken mocht wel des te zelfzuchtiger worden genoemd bij een beroepsgroep die nota bene zélf alles en iedereen naar hartenlust mocht bespioneren, via camera’s in de publieke ruimte en via jouw eigen computer en je telefoon; maar ook door in een helikopter boven je huis te hangen, en – als ze daartoe een aanleiding hadden weten te vinden – door van je te verlangen om je broek te laten zakken en voorovergebogen je billen voor ze uit elkaar te trekken. Niet iedereen staat daar elke dag bij stil. Maar Boudewijn wel, en daarom zou het niet minder dan een blijk van hemelse gerechtigheid zijn, als nu twee deuren die in elkaars verlengde lagen, als een soort binnenste en buitenste sluitspier, zich door een gezegend toeval tegelijkertijd zouden openen en aldus de held van ons verhaal, vanaf zijn stoel in de wachtkamer, een blik zouden gunnen diep in de ingewanden van het gebouw, op een stel van die geile, gespierde gasten die daar net in hun onderbroek stonden. Tuurlijk, de kans was bijzonder klein, maar het zóu hem maar gebeuren! Godgrootje, hij zou nog jaren plezier hebben van die herinnering. Net zoals hij nog jaren plezier had gehad van het beeld dat op zijn netvlies was gegrift tijdens de live-uitzending van een voetbalwedstrijd, waarbij een van de spelers – god mag weten waarom – opeens van voetbalbroek had moeten wisselen. Héél even had Boudewijn die fenomenale blote voetbalkont gezien, hij was er volkomen zeker van. Het was slechts een flits, want de regie schakelde natuurlijk als de sodemieter over naar een andere camera, maar… wát voor flits! En hoewel hij hemel en aarde had bewo…

    ‘Meneer De Graaf!’ Hij schrok op uit zijn prikkelende bespiegelingen. ‘U mag naar spreekkamer 5.’

– 2 –

Boudewijn stond op en ging de kamer in. Daar zat achter een klein bureau een man van rond de veertig met intelligente ogen in een volstrekt uitdrukkingsloos gezicht. Net een psychotherapeut of een diplomaat, dacht Boudewijn: iemand die erop getraind was om elke emotie te verbergen.

Hij stak zijn hand uit en stelde zichzelf voor. ‘Ik heb een afspraak met inspecteur Pereboom. Bent u dat?’

    De man kwam overeind en drukte Boudewijns hand stevig en kort. ‘Jazeker. Jules Pereboom, recherche. Neemt u plaats, meneer De Graaf. U hebt ons gebeld, begrijp ik, omdat u een bekende bent van Niels van den Bosch.’

    ‘Nou, “bekende” is een groot woord. Ik heb hem een hele tijd geleden één keer ontmoet. Maar ik heb wel het gevoel dat ik hem toen redelijk goed heb leren kennen. Misschien dat mijn verhaal nuttig is voor uw onderzoek.’

    ‘Dat is heel goed mogelijk. Ik noteer eerst uw personalia en daarna wil ik u vragen om mij gewoon alles te vertellen wat u weet. Ook details waarvan u zich niet kunt voorstellen dat wij er wat aan hebben, kunnen van groot belang zijn.’

    ‘Ik zal mijn best doen.’

Nadat Boudewijn zijn volledige naam, geboortedatum en adres had genoemd, die door de inspecteur met een verrassende snelheid in de computer werden ingevoerd – blijkbaar had de politieorganisatie in de afgelopen decennia niet alleen op het gebied van de uniformen van haar medewerkers vooruitgang geboekt – vroeg Pereboom hem naar zijn beroep. ‘Ik ben levenskunstenaar,’ zei hij.

    ‘Levenskunstenaar,’ echode de inspecteur vlak, terwijl zijn handen werkeloos boven het toetsenbord hingen.

    ‘Ja. Ik schrijf en ik lees, en ik verzin leuke dingen. En ik loop veel door de stad en ik heb contact met mensen.’

    ‘Contact?’

    ‘Ja. Ik praat met ze. Of ik heb seks met ze. Of allebei. En daar schrijf ik dan weer over.’ Het was even stil.

    ‘Ah, juist. En… hoe voorziet u in uw levensonderhoud?’

    ‘Af en toe heb ik een betaalde opdracht; iets met tekstredactie, of een klusje in de reclamesfeer.’

    Opgelucht roffelden de vingers van de inspecteur op het toetsenbord. Vervolgens leunde hij achterover in zijn bureaustoel. ‘Prima, meneer De Graaf. Zegt u het maar. Waarvan kent u Niels van den Bosch?’

    ‘In 2006 lag ik in het OLVG, in september van dat jaar. En Niels kwam bij mij op de kamer liggen. Hij was toen net veertien geworden. Ik meen me te herinneren dat hij een gebroken been had. En toen al was die jongen óngelofelijk mooi. En dus flirtte hij. Net als alle andere jongens die heel mooi zijn. Die flirten allemaal. En altijd. Ze kúnnen er niet eens mee ophouden, omdat ze niet weten dat ze het doen. De hetero’s onder hen doen het net zo goed als de homo’s, en de jongens die nog niet weten of ze homo of hetero zijn, die flirten het allermeest. Het is heel anders dan bij mooie meisjes. Die zijn ook gewend om met hun schoonheid te manipuleren, maar bij meisjes is dat altijd een keuze; die flirten heus niet als ze niks nodig hebben. Dat gulle, onbekommerde flirten, alsmaar door, met iedereen, zonder dat ze zich ervan bewust zijn, dat doen alleen heel mooie jongens. En ze doen het allemaal, maar hoe mooier ze zijn, hoe meer ze het doen. Niels was bijzonder mooi, sterker nog, hij was onthutsend mooi, en hij flirtte continu en intens.’ Boudewijns grijsblauwe ogen twinkelden.

    ‘Hoe ervoer u dat, meneer De Graaf?’ Inspecteur Pereboom vroeg het volkomen neutraal. Terloops, zou je zelfs kunnen zeggen.

    ‘Hoe ik dat ervoer? Haha! Nou, dat vond ik maar wat leuk. Ja, daar kom ik rond voor uit, inspecteur: ik vond dat waanzinnig leuk. Zo’n bloedmooi joch – en nog een reuze lieverd bovendien – dat in het bed naast je komt liggen en dat met iedereen begint te flirten. Een knaap die niet beter weet dan dat ie wordt nagekeken, die geleerd heeft om ervan te genieten dat ie wordt geadoreerd en die rond deze leeftijd aan het ontdekken is dat hij wordt… begeerd. Door vrouwen en door mannen.’

    ‘En u? Begeerde u hem ook?’

    ‘Zó! Nou en of. Natuurlijk begeerde ik hem. Hoe kon je die jongen nou zien en hem niet begeren? Maar ik hoefde er verder niks mee. Ben je gek, ik was toen… achtendertig! Kijk, aan de fantasie doe je niks; daar is geen kruid tegen gewassen. En tegen de mijne al helemaal niet. Maar dat het bij fantaseren zou blijven, dat stond voor mij vast. Toen ik zelf jong was, viel ik op jongens en mannen die een stuk ouder waren dan ik, ook toen ik veertien was, en bij Niels zag ik dat verschijnsel ook, maar vierentwintig jaar leeftijdverschil, dat vond ik te gortig voor een ventje van veertien. En bovendien… is het verboden; dat weet u nog beter dan ik.’ De inspecteur knikte bijna onmerkbaar.

    ‘Ik was bepaald niet de enige die door hem werd betoverd. Er lagen op die afdeling nog een paar nichten, een eind verderop, die al snel lucht hadden gekregen van de kostelijke bloesem die ons was gebracht, en die onophoudelijk over de gang langs onze deur strompelden, loerend en lonkend tot ze er scheel van zagen. En vrouwelijke patiënten natuurlijk: af en toe een tienermeisje, maar ook massa’s oudere dames. En niet te vergeten het verplegend personeel, mannen net zo goed als vrouwen: die overspoelden als een witte vloedgolf onze kamer, overdag en ’s avonds. Zelfs de dokters kwamen beduidend vaker langs dan de dagen ervoor, zo druk als ze het hadden. Iedereen wou ’m zien en iedereen wou alles voor hem doen. Niels hoefde maar te kikken over een pijntje in zijn nek of een stijve rug, of die plegen vlogen elkaar naar de strot in hun wedijver om hem te mogen masseren. Daarin waren de mannen gretiger dan de vrouwen. Of schaamtelozer, net hoe u dat zien wilt.

    Niels genoot van de aandacht. Als hij werd gekoesterd, dan kronkelde hij van welbehagen. En het is natuurlijk fantastisch om iemand te koesteren die daar zo van geniet. En die dat zo onbeschroomd laat blijken: die jongen was allesbehalve preuts. Ook niet bij het omkleden, of als er wat met die zere poot van ’m moest gebeuren: hopla, hij liet zo z’n broek zakken. Godverdorie, het was een geschenk van God aan de wereld, die jongen. Een troost voor alles wat lelijk is en akelig.’ Boudewijn keek naar buiten. Op de binnenplaats van het politiebureau rekte een kat zich uit in de ochtendzon, die in deze julimaand al vroeg warm was.

    ‘Hebt u hem ook gemasseerd?’

    Boudewijn grinnikte. ‘Was het maar waar! Ik kon niet eens mijn bed uit komen.’

    ‘Maar u was er getuige van dat anderen hem masseerden?’

    ‘Natuurlijk was ik daar getuige van. Ik lag er toch naast? Ze trokken heus het gordijntje niet dicht; daarmee zouden ze alleen maar de suggestie wekken dat er… onoirbare dingen plaatsvonden.

Niels was er heel duidelijk over dat ie op mannen viel. Hij noemde de mannelijke verpleegkundigen ‘knap’ of ‘lekker’. Hij vond het heerlijk om door ze te worden aangeraakt. Hij vond de belangstelling van vrouwen ook leuk, maar dat was meer omdat het zijn ego streelde; daar werd hij niet zozeer opgewonden van. Niels vond het erg prettig dat ik ook homo was, dat heeft ie een paar keer gezegd. Hij vertelde me dat hij nog geen echte seks had gehad. Hij had vroeger wel eens doktertje gespeeld – altijd met jongens – en hij had zich ook wel eens samen met een paar andere gasten afgerukt, maar dat was het. Hij had een paar goeie vriendinnen, met wie hij intieme gesprekken had, maar erotische spanning, die voelde hij alleen bij jongens. Hij had dat nog niet aan zijn ouders verteld, alleen aan een paar van die vriendinnen; andere homo’s kende hij niet.

    Kijk, als een heterojongen stomweg doet wat zijn vader heeft gedaan, en wat de jongens aan de overkant van de straat doen, dan zit hij er nooit ver naast. Maar vrijwel alle homoseksuele jongeren groeien op in een heteroseksuele omgeving; die moeten alles zelf uitzoeken. Als je als doorgewinterde homo met zo’n joch aan de praat raakt en het klikt, dan word je bedolven onder een tsunami van vragen.’

    ‘Vragen?’

    ‘Ja! Hele praktische dingen, zoals of er geen poep aan je piemel komt als je anale seks hebt. Dat willen ze echt allemaal weten. Er is niemand die dat aan die jongelui uitlegt, hoor! Dat geldt overigens net zo goed voor heterotieners: die willen dat óók weten. Die hebben veel meer anale seks – of in elk geval veel meer fantasieën over anale seks – dan hun brave ouders en leraren denken. De seksuele voorlichting die ze krijgen, is zo truttig als de pest. Die is feitelijk alleen gericht op het voorkomen van zwangerschap en infectieziekten; dat gaat over eitjes en zaadjes en over virussen en bacteriën, maar dat gaat helemaal niet over seks. Laat staan over homoseks. Met geen woord! Ik ben een ouwe nicht, inspecteur; ik ben al vijfendertig jaar bezig om mezelf staande te houden in een wereld waarin hetero’s de dienst uitmaken en… ja, nu zit u heel kritisch te kijken, maar zo simpel is dat niet, hoor! Als je een heteroman in een omgeving zet die door homo’s wordt gedomineerd, of dat nou een homokroeg is of een praatgroep over hiv, dan is ie lost, echt hartstikke lost! – maar als je zegt dat het geen kleinigheid is om je als homo te handhaven tussen al die hetero’s, jaar in jaar uit, dan vragen de mensen verbaasd: Hoezo? Jullie hebben toch gelijke rechten? Heel vermakelijk is dat. Je hebt er zelfs figuren tussen die vragen: Waarom moeten jullie eigenlijk je eigen kroegen hebben? Hetero’s hebben toch ook geen eigen kroegen? Ongelogen waar!’

    Inspecteur Pereboom keek op zijn horloge. ‘Misschien kunt u een klein beetje…’

    ‘Natuurlijk. Wat ik wil zeggen is dat het heerlijk was om een deel van de ervaring die ik op dit gebied heb opgedaan, over te dragen op een nieuwe generatie, in casu op deze Niels; die kans krijg je niet zo vaak. En uiteraard hing er een zekere erotische spanning in de lucht, maar omdat ik had uitgesproken dat er niks seksueels ging gebeuren, zat die spanning onze gesprekken niet in de weg.’

    ‘Dat… dat had u uitgesproken?’

    ‘Jazeker!’ knikte Boudewijn opgewekt. ‘Ik heb hem eerlijk gezegd dat ik hem beeldschoon vond, een lust voor het oog. Toen hij daarop een kleur kreeg, heb ik gezegd dat ik het nóg leuker vond dat ie zo’n lieve jongen was en dat we zulke interessante gesprekken hadden. Ik zei dat ik vermoedelijk ouder was dan zijn vader en dat ík het dus in ieder geval bij die interessante gesprekken ging laten.’

    ‘Aha. Juist. En waar ging die gesprekken tussen u en hem over?’

    ‘Over jongens natuurlijk! En over seks! Over daten, versieren, dat soort dingen. En we recenseerden erop los: een heleboel verplegers in zo’n ziekenhuis zijn ijdel en gaan naar de sportschool en zo’n witte broek kan behoorlijk… onthullend zijn, vooral als ie flink strak zit. Kortom, er was veel eye candy en wij hadden allebei niks om handen. We hebben ons uitstekend vermaakt. Eduard, de verpleegkundige die nachtdienst had, was Niels’ favoriet. Dat was een blonde jongeman, midden twintig denk ik, echt een stoere bink – bijna een marinierstype! – met van die vierkante kaken en een crew cut. En prachtige lichtblauwe ogen, net Paul Newman. ‘Superlekker!’ zei Niels en ik gaf hem groot gelijk.’

    ‘En waarom komt u mij dit vertellen, meneer De Graaf?’

    ‘Omdat er iets vreemds gebeurde in dat ziekenhuis. Iets heel vreemds.’

Einde fragment.

Meer lezen?
Je kunt het boek hier kopen.