Iochios en de Centaur (vervolg)

Vervolg ‘Iochios en de Centaur’

De man bracht snel zijn uniform in orde, gaf Iochios nog een schouderklopje en zei: ‘Tot een volgende keer, hoop ik?’

     ‘Heel graag!’ lachte Iochios.

     De soldaat haastte zich naar zijn eenheid. Iochios kleedde zich aan en slenterde verder over het kazerneterrein. De avondmaaltijd was achter de rug en in de eetzaal werd nog geen wijn geschonken, dus hij had een paar uur vrij.

Sinds twee jaar was Iochios in dienst van de keuken van de koninklijke kazerne. Tot die tijd had hij op een kleine boerderij in het noorden van Paxos gewoond, samen met zijn vader; broers of zussen had hij niet en zijn moeder was al in zijn vroege jeugd gestorven. Maar door enkele opeenvolgende jaren van tegenslag had Iochos’ vader een groot deel van zijn land moeten verkopen en had het keuterboerderijtje feitelijk geen toekomst meer. Daarom had de man geen andere keus gehad dan zijn zoon naar de stad te sturen om daar werk te zoeken.

     Iochios had een hele tijd in Pedarchos rondgedwaald. Toen hij een groep soldaten had gezien die op weg bleek naar het kazerneterrein aan de rand van de stad, was hij achter ze aan gelopen. Hij had door de poort van de kazerne naar binnen gekeken en de bedrijvigheid gezien, niet alleen van de soldaten maar ook van de wapensmeden, de leerlooiers, de wagenmakers en de paardenknechten. Hij had aan de wachters gevraagd of ze mensen konden gebruiken. Altijd, was het antwoord geweest en hij was doorgestuurd naar de keuken.

     Terwijl hij voor de eerste keer over het kazerneterrein was gelopen, had hij gevoeld dat hij enorm opgewonden werd van de tientallen stoere soldaten die hij er om zich heen zag, van zijn eigen leeftijd oplopend tot die van zijn vader. Dat had hem op zich niet verrast; thuis was hij ook vaak omringd geweest door grote mannen: dagloners die op de boerderij werden ingezet, jongens en mannen uit de buurt die meehielpen met het binnenhalen van de oogst, ooms en neven die langskwamen en meeaten, en bij die gelegenheden had hij ook altijd een bepaalde opwinding ervaren. Alleen had Iochios in de boerenomgeving waarin hij leefde, van dat gevoel nooit iets durven laten blijken.

     Toen hij in de keuken van de kazerne had verteld dat hij op de boerderij van zijn vader altijd voor de maaltijden van de mannen had gezorgd en ’s zomers de oogst had ingemaakt voor de winter, omdat iemand dat tenslotte moest doen en omdat zijn vader hem te tenger vond voor het zware werk op het veld, was hij op slag aangenomen. Hij hielp met inkopen doen, maaltijden bereiden, brood bakken en afwassen en bracht ’s avonds wijn rond in de eetzaal. Tussen zijn diensten door slenterde hij over het terrein.

In het begin was Iochios erg onzeker geweest door de opwinding die hij voelde bij het zien van al die grote kerels en door de vrees dat ze hem zouden uitlachen als ze hem door kregen, maar toen hij eenmaal had ontdekt dat de belangstelling niet zelden wederzijds was, ja, zelfs dat hij bij de mannen ronduit in de smaak viel, en dat er altijd wel een soldaat was die eenzaam was, die geen geld of geen zin had om naar de publieke vrouwen te gaan en die hem geïnteresseerd volgde bij zijn gedrentel, had hij meer zelfvertrouwen gekregen. Na verloop van tijd was hij min of meer openlijk gaan flirten.

     Als hij beet had, dan zochten ze ergens een rustig plekje en dan hielp Iochios de soldaat aan zijn gerief. Met zijn handen, met zijn mond of – dat deed hij het liefst – met zijn achterste.

     De soldaten waren erg op Iochios gesteld; hij was een mooie jongen, die zijn gezicht glad schoor, en hij had grote, bruine ogen, die hij met kohl wat aan placht
te zetten. Zijn slanke lichaam versierde hij met arm- en enkelringen, die hij cadeau
had gekregen van soldaten die met buit waren teruggekeerd uit de strijd. Daarbij was
hij gewillig, stelde geen eisen, kostte niets, hield zijn mond en was plezierig in de omgang.

     Iochios op zijn beurt was de soldaten maar wat graag van dienst; hij vond het heerlijk om zijn lichaam aan hen te geven. Dit was precies waarnaar hij altijd had verlangd! Hij genoot van het gevoel van hun grote, eeltige handen die gretig zijn slanke jongenslijf betastten, hij voelde zich apetrots als hij hen met zijn mond of met zijn achterste in verrukking bracht en naar de verzadiging voerde, hij nam gulzig hun zaad in zich op en glunderde bij hun complimentjes. Hij deed het allemaal volkomen voor zijn eigen plezier, maar kreeg niettemin flinke fooien toegestopt, zowel in de bosjes als bij het rondbrengen van de wijn, waardoor hij zijn salaris meer dan verdrievoudigde. Hij leefde zuinig, zodat hij inmiddels flink wat spaargeld had.

(…)

Hoeveel Iochios inmiddels van achteren kon hebben en hoezeer hij werd meegesleurd door heftige lichamelijke sensaties indien iets van grote omvang hem daar diep en onstuimig bezocht, werd hem eerst recht duidelijk toen het geviel dat een soldaat, genaamd Tophileas, na het bewerken van Iochios’ achterste, tot zijn ontzetting vaststelde dat hij daarbij een ring was kwijtgeraakt. Met een dieprode kleur van schaamte hakkelde hij dat de ring een geschenk was van zijn verloofde en dat hij met geen mogelijkheid naar zijn meisje kon terugkeren zonder het sieraad. En stamelend en met terneergeslagen ogen vroeg Tophileas of Iochios het, alsjeblieft, goedvond dat hij, heel voorzichtig natuurlijk, met zijn vingers, heel even maar, zou voelen of hij de ring wellicht kon terugvinden…

     Iochios hield met grote moeite zijn gezicht in de plooi. Hij ging bereidwillig op handen en knieën zitten, spreidde zijn dijen en boog zo diep mogelijk door zijn rug, zodat zijn achterste helemaal omhoog kwam en zijn billen ver uit elkaar weken. En terwijl Tophileas, nog steeds diep blozend, eerst nog bedremmeld, maar daarna, toen het succes uitbleef, met een allengs toenemende verbetenheid, met zijn vingers in Iochios’ achtereind rondtastte en zocht, voelde de jongen het bloed naar zijn geslacht stromen.

     Doordat Tophileas, in zijn verwoede pogingen om het vermiste kleinood op te sporen, veel langer en veel dieper groef dan wie ook van zijn kameraden ooit had gedaan – want die beoogden alleen Iochios aan zijn gerief te helpen, uit sympathie, of uit plichtsbesef, of om zich te verzekeren van een nieuwe ontmoeting in de toekomst, maar zij gingen nooit zo gedreven te werk als deze wanhopige pechvogel – en doordat de soldaat uiteindelijk, door een groeiende paniek gedreven, zelfs met zijn gehele hand in Iochios’ darm naar binnen ging en daar alsmaar dieper woelde en speurde naar zijn ring, ervoer Iochios een genot dat hij niet voor mogelijk had gehouden en dat hij met geen woorden had kunnen beschrijven.

     Keer op keer plengde hij zijn zaad op de grond. Toen Tophileas ten slotte zijn ring warempel nog terugvond ook, waren beiden, de soldaat en de jongen, in opperste staat van vreugde en prezen zij gezamenlijk de goden voor de gunsten die hun ten deel waren gevallen.

Al lanterfantend op het kazerneterrein kwam Iochios van lieverlede bij de stallen terecht. Grote aantallen paarden waren daar gehuisvest en werden er verzorgd en getraind, om te dienen in de strijd. De meeste waren hengsten, omdat zij sterker
en onverschrokkener waren dan de merries en omdat ze een groter uithoudingsvermogen hadden.

     Iochios kwam graag in de stallen. Niet alleen waren de staljongens vaak tuk op een verzetje en was er in de buurt altijd wel een rustig plekje in het hooi te vinden, maar ook keek hij graag naar de paarden. Op de kleine boerderij van zijn vader waren geen paarden geweest.

     Terwijl hij met deze en gene een praatje maakte en veinsde geïnteresseerd te zijn in de verzorging en de training van de dieren, liet hij zijn ogen over de gespierde hengstenlijven glijden en ademde de kruidige zweetlucht die eraf dampte, gretig in. En vaak bleef daarbij zijn blik even hangen bij de geslachtsdelen van het beest. Zeker als het warm, vochtig weer was, gebeurde het regelmatig dat de hengst waarnaar hij keek zijn lid uitschoof. Uit het soepele foedraal kwam dan een grote, dikke, glanzende staaf opzetten, die steeds verder naar buiten kwam en daar enige tijd schommelend afhing, waarna het dier het gevaarte weer goeddeels naar binnen trok.

     Iochios vond dat een fascinerend gezicht. Eigenlijk was hij heel nieuwsgierig naar hoe zo’n paardenlid en de fluwelen huls van waaruit het zich bewoog, aan zouden voelen, maar nooit dorst hij zijn hand uitstrekken, zelfs niet als hij alleen was met het dier, uit angst door iemand te worden betrapt.

     Er waren enkele hengsten in de stallen, met heel bijzondere kwaliteiten, die werden ingezet om jonge dieren mee te fokken. In tegenstelling tot de andere hengsten, die waren gesneden om hen hanteerbaarder te maken in het gebruik en die de staljongens “ruinen” noemden, beschikten deze dieren nog over hun testikels: twee formidabele, kogelronde ballen, elk zo groot als Iochios’ vuist. Iochios vroeg zich vaak af hoeveel zaad zo’n dier wel niet zou voortbrengen bij de paring.

     En wanneer het toeval wilde dat juist een van déze hengsten in zijn bijzijn zijn lid uitschoof, waardoor hij zicht kreeg op een combinatie van geslacht en ballen, beide in vorm gelijkend op die van een man, maar dan van een formaat dat hem de adem volledig benam, dan begon hij te trillen en probeerde hij krampachtig om niet langer naar de geslachtsdelen van het dier te kijken, maar tegelijkertijd zat zijn blik eraan vastgezogen en nam hij niets anders om zich heen nog waar. Je kon niet zeggen dat hij erotische fantasieën had over hengsten en over hun enorme geslachtsdelen, maar om heel eerlijk te zijn kon je ook niet zeggen, dat hij er níet over fantaseerde; het was meer dat hij zichzelf onmiddellijk blokkeerde zodra hij dreigde te beginnen met dagdromen, en zich dan ijlings op iets anders concentreerde; hij stond het zichzelf domweg niet toe. Het trok aan hem, met de wervelende, meeslepende kracht van een golf zeewater bij harde storm, maar het schrok hem ook af, als een hels vuur. Het was verleidelijk, maar het was ook krankzinnig en gevaarlijk… het was door en door verkeerd om er daadwerkelijk over te mijmeren dat een van deze hengsten met zijn reusachtige… nee, bij Hades! Nu snel aan iets anders denken, aan wat dan ook.

     Dan sloeg Iochios zijn ogen neer en haastte zich met een uiterst ongemakkelijk gevoel terug naar de keuken.

– 2 –

De jonge koning Epimachus keek uit het raam van de raadszaal naar buiten. Vanuit het hoog gelegen paleis kon hij het grootste deel van de stad Pedarchos overzien, maar ook een stuk van de rest van het eiland Paxos. Hij zag het gewemel in en rond de haven en de levendige handel op het plein, maar hij zag ook de puinhopen op de Chraïsche Heuvel, een van de twaalf heuvels waarop Pedarchos was gebouwd.

     Twee dagen geleden had een aardbeving de stad getroffen; op elf heuvels was de beving angstaanjagend geweest zonder wezenlijke schade aan te richten, maar op de Chraïsche Heuvel was nauwelijks een steen op de andere blijven staan. De inwoners van de wijk zaten op straat te weeklagen tussen de restanten van hun bezittingen, met verscheurde kleren en met as op het hoofd. Er waren enkele zwaargewonden, maar als door een wonder hadden de meeste inwoners tijdig hun huis kunnen verlaten en had iedereen de beving overleefd.

     De koning had zijn soldaten opdracht gegeven de gewonden te verzorgen en tenten op te richten om de daklozen op te vangen en te voeden. Hij had voor deze ochtend al zijn sterrenkundigen, dichters, historici, waarzeggers en wichelaars opgetrommeld om hem te adviseren. In de overvolle raadszaal hing een sombere en gespannen sfeer.

Epimachus wendde zich van het raam af en keek zijn raadsheren aan. ‘Wel, mijne heren, als ik u goed begrijp, meent u allen dat we te maken hebben met de toorn van de Centaur Marchon.’ De mannen knikten gelaten.

     Een van de historici, Procloptes, nam het woord. ‘Mijn heer, het zij verre van mij om de nagedachtenis van uw vader, de stoutmoedige Choön, te bezoedelen. Maar ontegenzeggelijk heeft de verering van de Centaur Marchon de afgelopen decennia aan belang ingeboet.’

     De jonge koning knikte. Zijn vader was een halfjaar geleden gestorven en hij, Epimachus, was hem opgevolgd. Tijdens de heerschappij van Choön was Pedarchos van een redelijk welvarend maar verder onbeduidend stadje uitgegroeid tot een machtsfactor van belang in dit deel van de Aegeïsche zee. Natuurlijk, Athene was veruit de belangrijkste Griekse stad – en inmiddels een goede bondgenoot van
Pedarchos – en daarna kwamen er nog een boel andere steden, maar Pedarchos zat in de top dertig en haar ster was rijzende. Landbouw, visserij, ambachten en handel bloeiden en niet weinige naburige eilanden waren inmiddels schatplichtig aan
Pedarchos. Daardoor werd de stad allengs rijker en kon zij bij voortduring worden uitgebreid en gerenoveerd en kon haar koning het bevel voeren over een groeiend leger, waarmee hij zijn regionale macht nog verder kon vergroten. Maar Choön was behalve een listig generaal en een deskundig bestuurder ook een erg eigenwijze man geweest en hij had de verhalen over de Centaur Marchon afgedaan als oudewijvenpraat.

     Centaurs waren wezens die half mens en half paard waren: vooraan de paardenromp verhieven zich geen paardennek en -hoofd, maar een menselijk bovenlichaam, veelal gewapend met pijl en boog. Ze waren doorgaans sterfelijk, maar de Centaur Marchon was onsterfelijk en huisde, naar het heette, uitgerekend in de grotten onder de heuvels van de stad Pedarchos.

     Als jongen had Epimachus zijn vader wel eens gevraagd of het niet kon zijn dat de onsterfelijke Centaur Marchon écht bestond, maar zijn vader had smalend gezegd: ‘Een onsterfelijke centaur… Heb jij ooit zoiets gezien?’

     ‘Nee, vader.’

     ‘Nou dan.’

     ‘Maar vader, ik heb ook nog nooit een stérfelijke centaur gezien.’

     ‘Kan je nagaan: allemaal lulkoek.’ En daar was het bij gebleven.

De grotten waarin de Centaur zou verblijven hadden een officiële ingang, die met een hek was afgesloten. Elders op het eiland waren nog enkele andere ingangen van het wijd vertakte gangenstelsel bekend, maar de inwoners bleven, als ze wisten waar zo’n ingang was, doorgaans op een veilige afstand; het zou ongunstig zijn om de rust van de Centaur te verstoren.

     In het verleden was altijd gebleken, dat zolang de relatie tussen de Centaur en Pedarchos goed was, de stad floreerde. De kracht, het uithoudingsvermogen en de onverschrokkenheid van het onsterfelijke wezen leken bezit te nemen van haar inwoners op momenten dat het eropaan kwam. Maar vroeg of laat kwam telkens het moment dat de koning en de burgers zwolgen in hun welvaart en macht en wel iets beters te doen hadden dan aandacht te besteden aan de verering van de Centaur. Zeker als de vorst, zoals Epimachus’ vader Choön had gedaan, van lieverlede begon te menen dat de voorspoed van Pedarchos aan hemzélf te danken was, aan zijn eigen inzicht, kracht, durf en sluwheid, in plaats van aan de begunstiging van de Centaur; dan werden de riten verwaarloosd en leidde het heiligdom van de Centaur Marchon een kwijnend bestaan.

Procloptes vervolgde: ‘Het is eerder gebeurd, heer, tweemaal zelfs, dat de Centaur om rekenschap vroeg omdat de stad haar religieuze verplichtingen jegens hem aan haar laars had gelapt.’ Opnieuw knikte de jonge koning. Hij kende de verhalen. Niettemin kon het geen kwaad ze nog eens te horen, van een bekwaam geschiedkundige, om de noodsituatie zo goed mogelijk het hoofd te kunnen bieden.

     ‘Waarde Procloptes, vertel ons nog eens over beide voorvallen, met alle details die u aannemelijk acht.’

     Procloptes stak van wal: ‘Negen generaties geleden, tijdens het bestuur van koning Abileus, was de verering van de Centaur ook in het slop geraakt. De Centaur ontstak, volgens de overlevering, in hevige toorn omdat hij en zijn cultus waren vergeten. Hij deed de aarde beven en op de Pnysische Heuvel stortte elk gebouw
in dat meer dan kniehoogte had. Vervolgens verscheen de Centaur aan een boerin die geiten hoedde en vroeg haar om de vorst te boodschappen dat hij eiste dat onze stad hem haar liefde zou betonen in de persoon van een jeugdige eerstgeborene uit haar inwoners, schoon van gestalte en edel van gelaat, die vrijwillig tot hem moest komen. Zolang de stad hem haar liefde niet betoonde, zou hij doorgaan met haar te treffen.

     Men zocht, maar men vond geen schone eerstgeborene die vrijwillig de grot wenste te betreden. Na zeven dagen was er een tweede aardbeving. Deze keer werd de Peleïsche Heuvel compleet vernietigd. Men zocht verwoed naar een kandidaat voor het vreselijke zoenoffer, maar tevergeefs. Nadat niet minder dan vier van de twaalf heuvels van Pedarchos door aardbevingen waren verwoest, trad ene Pylena naar voren, een maagd van adembenemende schoonheid, naar men zei. Zij was bereid om de grot van de Centaur te betreden en het lot te dragen dat haar daarbinnen wachtte.

     Heel het volk begeleidde haar met gebeden en gezang naar de ingang van de grot en zij trad er binnen. Naar men zegt, zond de Centaur na enige tijd een uil naar buiten, ten teken dat het zoenoffer was aanvaard. De burgers van de stad barstten uit in vreugdezang en bereidden zich erop voor om Pylena als een heldin in te halen, mocht zij erin slagen om de grot in levenden lijve te verlaten. Volgens de verhalen kwam zij na een uur terug en zeeg bij de ingang op haar knieën. De burgers tilden haar op, wikkelden haar lichaam in kostbare doeken en droegen haar juichend naar de citadel. De Centaur was tevredengesteld: de bevingen stopten. De koning overlaadde Pylena met geschenken en eerbewijzen; zij werd hogepriesteres in de tempel van de Centaur Marchon, omringd door priesteressen en dienstmaagden.

     Na verloop van tijd, zes generaties later, onder het regime van koning Koparthos, herhaalde de geschiedenis zich. Wederom werden de plechtigheden in het heiligdom van de Centaur door steeds minder mensen bijgewoond, wederom sprak men over hem als over een achterlijke sprookjesfiguur en prompt kwam er opnieuw een beving, die dit keer op de Sylenische Heuvel een ravage aanrichtte.

     En de Centaur verscheen aan een dienstmeid die kruiden verzamelde in het woud en zij deed kond van het offer dat hij van de stad verlangde. Het was hetzelfde als de vorige keer.

     Ook nu vond men geen bereidwillige kandidaat, zodat beving op beving volgde, en toen, na een dag of twintig, reeds de zesde heuvel van de stad was vernietigd, geraakte de bevolking buiten zinnen van angst en vertwijfeling en dwong men een schone, eerstgeboren maagd om de grot te betreden. Tot driemaal toe echter keerde het ongelukkige meisje schreiend terug naar de ingang, terwijl men achter haar het hoefschrapen van de Centaur kon horen, en tot driemaal toe dreef men haar met stokken en spiesen terug het gangenstelsel in. Toen zij ten vierde male naar buiten vluchtte, doodde men haar in zijn wanhoop.

     De bevolking bleek niet bij machte in haar midden iemand te vinden die vrijwillig de liefde van de stad voor de Centaur aan hem wilde betonen. Daarop werden alle resterende heuvels van onze stad een voor een door bevingen in puin gelegd. Van het trotse Pedarchos was niets overgebleven dan een woestijnlandschap van steengruis, stof en as; het geldt als de grootste catastrofe in onze geschiedenis. Door rouw en schaamte bevangen, bouwde de bevolking tijdens de moeizame decennia van wederopbouw een grote tempel voor de Centaur Marchon, om hem gunstig te stemmen en te voorkomen dat dit gruwelijke lot haar ooit nog eens zou treffen. Pas twee generaties later, in de tijd dat uw vader Choön uw grootvader Tamistheus opvolgde, kon men weer spreken van een welvarende stad. Maar het heiligdom van de Centaur Marchon is vervolgens wederom danig verwaarloosd, door onze vaders en door ons. Het ziet ernaar uit dat we het noodlot opnieuw over onszelf hebben afgeroepen.’

Er viel een beklemmende stilte. Epimachus keek tobbend voor zich uit. Wat een ellende; net een half jaar koning en nu dit. Hij haalde diep adem en zei: ‘Goed dan, mijne heren. Als u gelijk hebt, dan is het wachten op de verschijning van de Centaur. Maar omdat het zich laat raden wat hij wil, vraag ik u om vast na te denken over manieren om een schone eerstgeboren maagd uit onze bevolking ertoe te brengen de liefde van de stad voor de Centaur aan hem te betonen.’ Er klonk gemompel en de mannen keken elkaar ontdaan aan, toen ze zich realiseerden welk offer er van deze maagd zou worden verlangd. Op de een of andere manier klonk het bij het horen van de oude geschiedenissen weliswaar bizar, maar ook nog wel enigszins poëtisch, maar nu het allemaal werkelijk gebeurde, nu was het alleen maar… verschrikkelijk.

     Gileos, een wichelaar, vroeg zachtjes: ‘Is bekend wat er exact is voorgevallen in de grot, gedurende de tijd dat Pylena daar verbleef?’ De andere aanwezigen keken hem meewarig aan.

     De dichter Deugerion zei: ‘Kent u niet de geschiedenis van de centaur Nessus, die de vrouw van Heracles wilde bespringen? En hebt u niet gehoord van de centaurs die met de vrouwen van de Lapithen trachtten te paren? Het zijn geile bliksems en ze willen maar één ding.’

     Menisthos, een geschiedkundige, meldde dat Pylena desgevraagd alleen had gezegd: ‘Daarover past het stervelingen niet te spreken,’ en verder gedurende haar hele leven met geen woord had gerept over hetgeen er in de grot was geschied.

De dichter Gemonion bracht naar voren: ‘Maar de omgang met een godheid strekt toch tot eer? De maagd Europa werd ontvoerd door Zeus zelf, in de gedaante van een witte stier. Over duizenden jaren zal men haar naam nog noemen.’

     Maar Procloptes reageerde droogjes: ‘Alleen had Europa de mazzel dat Zeus van stier weer in zichzelf veranderde voordat hij met haar de liefde bedreef.’

     ‘En Leda dan?’ probeerde Gemonion nog. ‘Met haar had Zeus omgang in de gedaante van een zwaan.’

     Nu verloor Epimachus zijn geduld: ‘Gemonion, uilskuiken! Heb je nog nooit tussen de achterbenen van een hengst gekeken? Als de omgang daarmee volgens jou “tot eer strekt”, dan brengen we je vrouw en je dochters naar de grot en sturen ze erin!’

     ‘H-heer, ik smeek u!’ riep Gemonion ontzet uit.

     ‘Zwam dan niet!’

Op dat moment vloog de deur van de raadszaal open. In de deuropening stond een hijgende soldaat. ‘Heer! De Centaur is verschenen!’ Er steeg een luid geroezemoes op in de zaal.

     ‘Stilte!’ baste de koning. En, tot de soldaat: ‘Spreek.’

     ‘Heer, de Centaur is verschenen, in het woud, aan een boerenknecht.’

     ‘Breng hem binnen.’

     Er kwam er een slungelige jonge man binnen, begeleid door twee soldaten.

     ‘Kom nader, goede man,’ zei Epimachus. ‘Neem plaats.’ De jongen knikte verlegen en ging onzeker zitten op de bank die hem werd aangewezen. ‘Zeg me, hoe is je naam?’

     ‘Berchamos, heer.’

     ‘Goed, Berchamos, vertel eens, wat heb je gezien?’

     De jongen begon hakkelend zijn relaas. ‘Heer, ik ging… ik was in het woud om takken te verzamelen voor de broodoven en toen… toen zag ik hem ineens staan… de Centaur Marchon.’

     ‘Hoe zag hij eruit?’ ‘

     Nou, hij is eh… paard en mens tegelijk, zal ik maar zeggen. Zijn onderlijf is een hengst, heer, heel groot en gespierd, en zijn bovenlijf is een mens.’

     ‘En heeft hij gesproken? Wat zei de Centaur?’

     De jonge man werd nog zenuwachtiger en begon heviger te stamelen. ‘Er m-moet een… een jeugdige eerstgeborene onder de burgers vrijwillig naar de grot komen, schoon van gestalte en edel van gelaat, heer, om… om eh… om de liefde van de stad aan hem te betonen, zó zei hij het. Zo niet, dan zou hij de stad heuvel na heuvel verwoesten.’

     De raadsheren bogen het hoofd. Ze hadden niet anders verwacht en toch schokte het hen dat het werkelijk waar was. Er werd van de burgerij een onzegbaar offer geëist.

Koning Epimachus proefde de woorden op zijn tong: ‘Een jeugdige eerstgeborene, zei hij dat letterlijk zo?’

     ‘Jawel, heer; de Centaur vroeg mij nog om zijn woorden te herhalen. Voor de zekerheid.’

     Epimachus keek opgewonden naar Procloptes. ‘Dus niet per se een maagd!’ riep hij uit. ‘Hoe zeker weet u dat die Pylena een maagd was?’

     ‘Volgens alle verhalen was zij zowel maagd als van een adembenemende schoonheid, heer, maar zéker weten doen we het natuurlijk niet.’

     ‘Ik zou menen,’ vervolgde Epimachus nadrukkelijk, ‘dat we makkelijker een vrouw… met veel ervaring… naar die grot krijgen dan een maagd. Wat dunkt u?’

     De mannen keken verrast naar de vorst. ‘U bedoelt…’ begon Peliandros, een waarzegger, ‘u bedoelt een vrouw die eh… ik zal maar zeggen: een beroeps?’

     De koning haalde zijn schouders op. ‘Dat zou kunnen, maar het hoeft niet; er zijn er ook met veel ervaring die het niet voor het geld doen, maar gratis, gewoon, omdat ze er wel pap van lusten.’ Er steeg een onrustig gemompel op en de koning verhief zijn stem. ‘Mijne heren, waarom niet? Als ze toch eerstgeborene is, en schoon van gestalte en edel van gelaat? Het lijkt me respectvol jegens de Centaur om ervan uit te gaan dat hij weet wat hij vraagt en dat hij vraagt wat hij wil: niets meer en niets minder. En we voelen ons allemaal uiterst ongemakkelijk bij dit onderwerp, ik net zo goed als u, maar het gaat om het voortbestaan van deze stad, dus we moesten de dingen maar bij de naam noemen, lijkt me zo.’

‘Maar als dat zo is, heer,’ zei een oudere dichter, Philopeon, schuchter, ‘dan hoeft het dus eh… ook geen vrouw te zijn…’ De aanwezigen staarden hem verbijsterd aan. ‘Nee, hij vraagt om een ‘jeugdige eerstgeborene, schoon van gestalte en edel van gelaat’. Punt. Hij zegt niet dat het een vrouw moet zijn, dus mag het ook een man zijn. Toch?’

Een van de wichelaars, Alchaïs, begon luid en schel te lachen. ‘Haha! Welke vent zal er bukken voor een hengst? Wat voor man zal dat zijn, die zich laat gebruiken als merrie?’ smaalde hij.

     ‘Zwijg, ellendige!’ donderde de vorst. Alchaïs sloot geschrokken zijn mond. ‘Wij moeten hemel en aarde bewegen om iemand te vinden die zich wil opofferen voor onze geliefde stad, voor het aangezicht van het ganse volk, en u waagt het om mogelijke kandidaten daarvoor op voorhand te beledigen. Ik verban u naar het eiland Stos en uw bezittingen zal ik verdelen onder de slachtoffers van de aardbeving.’

     ‘Maar heer…!’ fluisterde Alchaïs ontzet.

     ‘Genoeg! Wij zijn op zoek naar iemand die niet makkelijk te vinden zal zijn. Philopeon verdubbelt met zijn schranderheid de vijver waarin wij vissen en dat valt in hem te prijzen. U dreigt met uw bekrompenheid onze kansen om de stad te redden te halveren en daarom moet u vertrekken.’

De vorst wendde zich tot de andere aanwezigen, terwijl Alchaïs met gebogen hoofd de raadszaal verliet. ‘Mijne heren,’ sprak hij, ‘ik zal het volk op de hoogte stellen van de toestand. Gaat nu heen en broedt op manieren om degene te vinden die wij zoeken, een man of een vrouw, en hoe we hem of haar ertoe kunnen bewegen het offer te brengen. Van onze vindingrijkheid en overredingskracht hangt thans af, of deze stad zal worden gered of dat ze zal ondergaan.’

Einde fragment.

Meer lezen?
Je kunt het boek hier kopen.