The fog of war (vervolg)

Vervolg ‘The fog of war’

Alle jongens in het dorp waren ‘gewone’ jongens. Alleen Theo niet. Want Theo was anders. Theo voelde zich niet aangetrokken tot meisjes, maar tot jongens. Dat was altijd zo geweest, maar niemand wist het.

Al zo lang als hij zich kon herinneren, vanaf zijn vierde of vijfde jaar, had Theo ernaar verlangd om andere jongens bloot te zien. Heimelijk had hij genoten van elke toevallige aanraking op het schoolplein of tijdens de sport, vooral als het gebeurde met een van de wat stoerdere jongens uit zijn klas. Maar hij had nog nooit seks gehad. Helemaal niks. Sterker nog, hij had nog nooit een andere jongen intiem aangeraakt, en zijn eigen onderlichaam kende enkel de beroering van zijn eigen handen. Hij was altijd te verlegen geweest. Te bang.

     Toen hij in de zesde klas van de lagere school eindelijk zijn schroom had overwonnen om met zijn leeftijdsgenootjes doktertje te gaan spelen, waren zij die fase ontgroeid en vonden ze die spelletjes kinderachtig. Hij was domweg te laat.

     En kort nadat hij, pas op zijn vijftiende, in zijn eentje had ontdekt hoe hij zichzelf kon klaarmaken en na veel aarzeling eindelijk zover was geweest dat hij wel samen met de andere jongens had durven rukken achter een schuurtje of in een hooiberg, waarvan hij wist dat zij er soms afspraken, begonnen zij net op zoek te gaan naar meisjes. Had hij weer met lege handen gestaan, gewoon omdat hij bang was geweest. Bang dat de jongens erachter zouden komen dat het voor hem iets heel anders betekende dan voor hen, om elkaar af te trekken. Want hij viel op jongens. Zij niet. Zij vielen op meisjes. Theo had ook wel eens wat met een meisje geprobeerd, hoor, gerust wel. En soms waren dat ook hartelijke vriendschappen geweest, maar begeerte naar hun lichaam… nee, daar had hij geen spoor van gevoeld.

Zo rond zijn twintigste was Theo erachter gekomen dat er meer jongens en mannen waren zoals hij, dat hij niet de enige op de wereld was. Hij was ‘homoseksueel’, zo heette dat, en dat kwam vaker voor. Dat was op zich al een hele opluchting geweest – hij was tenminste niet knettergek, of in ieder geval waren er meer zo gek als hij – maar bovendien betekende het, dat hij naar die andere mannen op zoek kon gaan.

Na nog een paar jaar van aarzelen en tobben had hij ten langen leste voldoende moed verzameld om eens naar een partijtje te gaan van het soort waarvan hij had horen fluisteren dat ze in Amsterdam werden gehouden, waar homoseksuele mannen elkaar privé ontmoetten, achter geblindeerde ramen. Hij was gaan zoeken, maar had overal bot gevangen: juist tegen die tijd waren door de opkomst van het nationaal-socialisme dat soort bijeenkomsten te gevaarlijk geworden. En inmiddels was het ook doodstil geworden bij een pisbak aan de Keizersgracht waar hij ’s avonds laat wel eens had rondgehangen en waar hij mannen naar elkaar had zien gluren en waar ooit zelfs een brutaal kijkende jongen naar hem had gelachen, voordat hij spoorloos was verdwenen in een zijstraat. Alle homoseksuelen waren ondergronds gegaan; nou, zie ze dan maar eens te vinden. Sowieso was het tegenwoordig in Amsterdam extra vroeg spertijd, al vanaf acht uur ’s avonds, dus daar mocht je na die tijd niet eens meer op straat komen. Godverdomme, was ie weer te laat. Wéér niet gedurfd!

     En Theo vreesde dat dat lot zich opnieuw ging voltrekken. Hij was nu negenentwintig jaar. Hoe lang zou deze kloteoorlog nog gaan duren? Tien jaar? Twintig? Tachtig, dat zou wel niet, hoewel het eerder was vertoond. Maar zeg dertig jaar. Dan was hij negenenvijftig. Dan was hij oud. En dan had hij de boot definitief gemist. Andere mannen van zijn leeftijd hadden doktertje gespeeld, zich later samen afgetrokken achter de schuurtjes en vervolgens een paar jaar lekker rondgeneukt met meiden; ze waren getrouwd met een leuk vrouwtje en neukten daarna vaak nog steeds rond. Zeker die Duitse soldaten en die NSB’ers. Die konden meisjes krijgen zo veel als ze wilden, met al hun geld en hun zijden kousen en hun sigaretten. Zoals Meindert van Gooijen, die vuile landverrader, die vroeger iedere week wel een keer in het café kwam, met aan elke arm een blond mokkel. Ze zaten kirrend op zijn schoot, op elke knie één. En iedere week twee andere, ook dat nog. En hij, Theo? Hij was op zijn negenentwintigste nog maagd.

Het stekende besef dat hij, naar het zich liet aanzien, de enige was van zijn hele generatie die nog nooit seks had gehad en die mogelijk ook nooit seks zou hebben, had hem bitter gemaakt, en razend op de Duitsers en op de Nederlanders die met hen heulden. Door bij de ondergrondse te gaan had hij een uitlaatklep gevonden voor
de wrok en de woede jegens degenen die zijn leven hadden verwoest. Want verwoest was het: hij was de hele dag zo geil als boter, door alle mannen om hem heen, vroeger in het café en nu bij het verzet – en hij kon ook niet zonder hun gezelschap en ging er altijd weer naar op zoek – maar hij kon er geen kant mee op en hij werd er gek van.

Omdat ze op de boerderij meestal toch niets te doen hadden, zat Theo regelmatig te mijmeren over wat er allemaal had kúnnen voorvallen als hij hier met Andries had gezeten. Dat deed hij nu ook; lekker, met zo’n jonge klare erbij.

     Ja, ze zaten hier uitstekend verzorgd. Die jenever had Evert georganiseerd. Evert had ook echte sigaretten; eindelijk geen shag meer van de uitgeplozen peuken van Duitse soldaten uit de asbakken van de trein. Evert had werkelijk van alles en nog wat ‘geregeld’: een vat zuurkool, een kist appels, volop aardappels, een stal vol stookhout en zelfs een hele zij gerookt spek. ‘Waar komt dat spul allemaal vandaan?’ had Theo gevraagd.

     ‘Niet te veel vragen, Theo,’ had Evert geantwoord.

     ‘Ja maar… is het… gejat?’

     ‘Wie voor het altaar werkt, die van het altaar eet,’ had Evert met een brede grijns gezegd. Tja.

     Er waren wel meer dingen onduidelijk. Theo had zich afgevraagd van wie deze boerderij eigenlijk was, waar de partizanen hun uitvalsbasis hadden. Hij had post zien liggen voor ene P.L. van Galen. Waar was die Van Galen gebleven? Zat die ook in het verzet? ‘Van Galen is toevallig op het juiste moment komen te overlijden,’ had Evert gezegd. ‘En wij hebben deze boerderij overgenomen, want dit is de allerbeste stek in de wijde omgeving.’ Theo was bleek geworden.

     ‘Wat? Hebben jullie ’m… vermoord? Maar dat is toch… heel érg, en ook… heel strafbaar?’

     Evert had hem strak aangekeken met zijn koude vissenogen. ‘Het is oorlog, Theo. Er gebeurt ontzettend veel, tijdens een oorlog. En een groot deel van die gebeurtenissen blijft door dichte kruitdampen aan het oog onttrokken. The fog of war, noemen de Engelsen dat. Ik kan je niet bevestigen dat wij Van Galen hebben gedood, want wij praten niet over die dingen. Maar laat me je zeggen dat het ons erg goed uitkwam dat hij overleed en dat het precies gebeurde op de dag dat wij het verwachtten. Maar dat zal, net als zo veel andere geschiedenissen, altijd verhuld blijven door the fog of war. Als er hier iemand langskomt dan hebben we ons verhaal klaar: dat we op de boerderij passen op verzoek van zijn zieke zuster in Barneveld. Maar de kans dat dat gebeurt is klein, want er komt hier nooit iemand. We zitten hier aan het eind van de wereld.’

     Theo had gehuiverd. Ze waren niet voor een kleintje vervaard, die partizanen. Sodeju… Je moest er maar op durven vertrouwen zeg, op die fog of war…

– 2 –

Juist op het moment dat in Theo’s fantasie Andries zijn broek uittrok, werd er op de buitendeur geklopt. Theo bevroor. Zijn hart klopte in zijn keel. Gerard en Andries zouden niet kloppen; die hadden een sleutel. Anna klopte altijd in het afgesproken ritme. Wie kon dit in godsnaam zijn? Het was tegen twaalven, dus nog net geen spertijd, maar gewone mensen waren niettemin allang niet meer op straat. Zeker niet met dit weer: strenge vorst en overal een dik pak sneeuw… In het dorp zag je om deze tijd al geen hond meer buiten, laat staan hier, in deze godvergeten uithoek…

     Hij keek naar Evert en zag hem ingespannen naar de hal turen. ‘Niet reageren.’ Ze wachtten.

     Er werd opnieuw geklopt, veel harder nu. Evert sprong op, verbazend snel en behendig voor zo’n dikke vent, liep naar het halletje en ging naast de deur tegen de muur staan. Hij wenkte Theo. ‘Doe maar open. Je weet wat je moet zeggen,’ fluisterde hij.

     ‘Hei daar! Doe ’ns open!’ hoorden ze. Accentloos Nederlands. Politie? Het lukte Theo maar amper om het klapperen van zijn tanden onder controle te krijgen. God, wat was hij bang. Was hij wel een partizaan?

Met bevende handen deed hij de deur van het slot en trok ’m open. Buiten in de sneeuw stond Meindert van Gooijen. Theo kende hem redelijk goed; ze hadden samen op de HBS gezeten, Meindert een paar klassen lager. De jongen was inmiddels midden twintig. Zijn vader, Kees van Gooijen, was iets hoogs bij de Rijkspolitie. Ze waren bij de NSB, de hele familie. ‘Dag Meindert,’ zei Theo neutraal. ‘Zo laat nog op pad?’

     ‘Ja, ik fietste hier een eindje verderop en kreeg een lekke band. Maar wat doe jij hier? Jij woont toch in het dorp?’

     ‘Ik pas op de boerderij, voor de zieke zuster van de overleden meneer Van Galen. Ben je alleen, of zijn er nog meer buiten?’ In zijn ooghoek zag Theo Evert goedkeurend knikken.

     ‘Nee, ik ben alleen. Mag ik een fietspomp lenen?’

     ‘Ik ga kijken of er een in de bijkeuken staat. Maar een fiets heb ik hier nergens gezien, dus ik kan je niks beloven.’

     ‘Hé… wat ruik ik? Heb jij jenever gedronken?’

     Theo deed geschrokken een stap naar achteren. Het lukte hem warempel om te antwoorden met een ontspannen lachje. ‘Nee, was het maar waar! Het is eigen stook. Aardappels. Tegen niemand zeggen, hoor.’ Hij slaagde er zelfs in om Meindert een knipoog te geven. Maar Meindert deed snel een stap naar voren, de hal in, en rook aan Theo’s mond.

     ‘Nietes, het is jenever, ik ruik het. Aan de smokkel, Theootje? Zit jij in de zwarte handel? Zo komt een mens wat aan de weet!’

Op dat moment kwam Evert achter de deur vandaan, met een ijzeren staaf in zijn handen. God mocht weten waar hij dat ding weer zo snel vandaan had. Hij sloeg er hard mee op het hoofd van Meindert, die in elkaar zakte en met een plof op de grond viel. Theo hapte naar adem, terwijl hij zijn handen voor zijn mond sloeg. ‘Sta daar niet als een zenuwachtige keukenmeid!’ bitste Evert. ‘Sleep ’m naar de keuken! Vastbinden en fouilleren. Ik ga naar buiten, kijken of hij echt alleen was. En ik neem zijn fiets mee naar binnen.’ Hij beende naar buiten en trok de deur achter zich dicht.

     Theo keek naar de bewusteloze jongen aan zijn voeten. Godallemachtig, wat een toestand. Zaten ze hier met een NSB’er in het honk van de ondergrondse. Wat moesten ze daar nou weer mee? Hopelijk wist Evert raad; die was niet voor de poes. Theo dankte de hemel dat hij hier niet alleen zat. Kom op, nu eerst zijn opdracht uitvoeren. Hij pakte het bewegingloze lichaam onder de oksels en sleepte de jongen ruggelings over de vloer naar de keuken. Daar legde hij hem voor de kachel. Hij knielde naast hem op de grond om hem zijn overjas uit te trekken. De jongen was blond. Slank, maar niet mager. Nee, hij had een atletisch lichaam. Ze deden veel aan sport bij de NSB, dat kon je wel zien. Het was een landverrader, zeker, maar evengoed een geile jongen. Dat had Theo altijd al gevonden, vroeger in het café ook al, als hij Meindert met zijn blonde mokkels had zien lopen, met hun handen ondeugend op zijn stevige, ronde billen. Zonde dat hij voor de moffen had gekozen en dat ze niet samen in het verzet terecht waren gekomen…

Theo pakte een stuk touw van het aanrecht en knielde naast Meindert op de houten vloer. Hij legde de jongen een beetje op zijn zij en trok de polsen op de rug naar elkaar toe. Eerst sloeg hij het touw om de twee polsen heen en legde er een platte knoop in, maar hij besefte dat Meindert zijn handen daar makkelijk uit zou kunnen wurmen. God, hoe moest hij dit nou weer aanpakken? Hij herinnerde zich vaag
de verhalen van schoolkameraadjes die bij de padvinderij hadden gezeten en met rappe vingers hadden voorgedaan hoe je een touw ergens omheen moest knopen. Een steek, heette het zo niet? Sloegen ze het er gewoon omheen, of maakten ze eerst een lus? Hij mocht doodvallen als hij het wist. Hij besloot om het touw eerst in een lus om de ene pols te binden en vervolgens de andere pols daaraan vast te maken met een dubbele knoop. Of wacht, de polsen kruisen en dan het touw er in twee richtingen omheen wikkelen, had hij dat niet eens gezien op een tekening in een boek dat hij als jongen had gelezen? Jazeker. Zo zou hij het doen.

     Toen hij klaar was, bestudeerde hij het resultaat. Hij kon zich niet voorstellen dat Meindert deze knoop ooit zou kunnen loskrijgen. De enkels van de jongen bond hij gewoon aan elkaar, maar wel een keer of drie, zodat de onderbenen van de voeten tot de knieën tegen elkaar gesnoerd waren. Meinderts geboeide handen bond hij voor de zekerheid nog vast aan een dikke, ijzeren ring die vlakbij de kachel uit de muur stak.

En nu? ‘Vastbinden en fouilleren’, had Evert gezegd. Dus ging Theo systematisch al Meinderts zakken af. Eerst de overjas. Persoonsbewijs, portefeuille, kammetje. Toen de broekzakken. Zakdoek, sigaretten, lucifers, zakmes.

     Toen hij met zijn hand in een van de diepe, wijde broekzakken rondwoelde, voelde hij per ongeluk – hij kon er werkelijk niets aan doen – iets wat zacht was en toch stevig. Het duurde even voor hij begreep wat het was. Het was Meinderts penis, die blijkbaar opzij lag in zijn onderbroek. Er ging een schok door Theo heen. Het leek wel alsof zijn hand plotseling onder stroom stond. Voor het eerst van zijn leven raakte hij de pik van een andere jongen aan! Door een broekzak en een onderbroek heen weliswaar, maar toch. Hij voelde nog een keer. Jazeker, het was ontegenzeggelijk Meinderts lul. Hij zat met zijn vingers aan de lul van een bewusteloze jongen. Een jongen die daar helemaal niks van merkte…

     En op dat moment verloor Theo zijn zelfbeheersing, totaal. Met zijn ene hand graaide hij wild in Meinderts kruis; hij kneedde de dikke penis en betastte de stevige ballen. Met zijn andere hand ging hij achter het bewegingloze lichaam langs, om in de kont van de jongen te knijpen. Jezus, wat een volle, harde billen! Zijn vingers gleden in de gleuf ertussen…

     Toen hoorde hij de buitendeur. Het bloed steeg naar zijn hoofd. Godallemachtig, wat was hij aan het doen! Hij trok ijlings zijn handen terug en ordende bevend de spulletjes die hij in Meinderts zakken had gevonden.

Evert kwam de keuken binnen, met Meinderts fiets. Theo wendde zijn verhitte gelaat van hem af. ‘Niemand gezien?’ Goddank, zijn stem klonk normaal.

     ‘Nee, hij was inderdaad alleen.’ Evert leek zijn kleur niet op te merken.

     Theo wees op de knopen die hij had gelegd, nog steeds met zijn gezicht een beetje opzij gedraaid. ‘Zo goed?’

     ‘Ja, prima. Dat krijgt ie nooit los.’ Het was even stil.

     ‘Zeg Evert, wat gaan we nou met ’m doen?’

     ‘Wat denk je?’

     ‘Hij mag niet weglopen, want hij heeft mij gezien en hij kent nu deze boerderij.’

     ‘Heel goed. Hij mag hier niet over praten. Nooit meer.’

     ‘Bedoel je…’

     Evert knikte. ‘Natuurlijk. Als hij hier levend wegkomt dan zijn we jou kwijt, maar ook deze basis. Ik zal maar niet zeggen wat erger is. En als jij wordt gepakt door de moffen, dan weet ik niet of je je mond kunt houden over Gerard en mij en de anderen, dus dat mag niet gebeuren.’

     ‘En waarom denk je dat hij hier aanklopte?’

     ‘Goeie vraag. Hoogstwaarschijnlijk toeval. Als de moffen iets zouden vermoeden dan waren ze met auto’s gekomen; dan hadden ze echt geen NSB’er op een fiets gestuurd, midden in de nacht. Maar we zullen zien dat we het uit hem krijgen als ie weer bij kennis is; dat kan nog wel een paar uur duren, dus dat wordt morgen. Er liggen genoeg handige spulletjes in de bijkeuken.’ Dat laatste zei Evert met een brede grijns. Theo rilde; in de bijkeuken had hij allerlei tuin- en slachtgereedschap gezien. ‘En dat wordt een klusje voor jou, ventje.’

     ‘V-voor mij?’

     ‘Jazeker,’ grinnikte Evert. ‘Jij hebt er het meeste belang bij, want jou heeft ie gezien. Ik ga morgen naar Anna, een bericht afgeven voor Gerard. En mocht die klootzak hier je morgen tóch vertellen dat de moffen iets weten over onze groep, dan maak je hem meteen af en je verstopt hem goed. Je gaat naar huis en je legt een knoop in de wilgentakken.’ Aan het begin van de zandweg waaraan de boerderij lag, stond een grote treurwilg. Ze hadden afgesproken dat ze een knoop in de soepele takken van de boom zouden leggen als de basis niet langer veilig was. ‘Als ik geen knoop zie, ben ik rond een uur of tien terug. Dan zorgen we er samen voor dat ie verdwijnt, als jij dat nog niet hebt gedaan.’

     ‘In the fog of war…’ mompelde Theo ontzet.

     ‘Zo is het. En nu gaan we slapen. Controleer je knopen nog een keer. Stop ook maar wat in zijn mond; je weet maar nooit.’ Theo stopte Meinderts zakdoek in diens mond en bond zijn sjaal eromheen. Ze gingen naar bed, maar Theo deed geen oog dicht. Af en toe hoorde hij een zacht, bonkend geluid in de keuken, maar hij durfde niet te gaan kijken.

Einde fragment.

Meer lezen?
Je kunt het boek hier kopen.