Voor een zak zilveren daalders (vervolg)

Vervolg ‘Voor een zak zilveren daalders’

 Vroeger, toen we nog bij onze ouders woonden, hadden we in één bed geslapen. Mijn vader vond dat praktisch, want dan werden we sneller warm. ‘Biggen en jonge hondjes doen het ook, dus zo dom kan het niet zijn,’ zei hij daarover. Maar in 1679 kwamen onze ouders om bij de grote pestepidemie, die meer dan de helft van de bewoners van ons dorp wegvaagde. Jíri en ik werden opgevangen door een broer van mijn vader en zijn vrouw. Toen wij vertelden hoe wij thuis hadden geslapen, zei mijn oom dat ‘zulks de Here een gruwel was’ en kregen we allebei een eigen bed. Maar ’s winters, als het in onze slaapkamer bitter koud was, kropen we gewoon bij elkaar, en dan lagen we lekker tegen elkaar aan. En naarmate we ouder werden, kwam het in zulke winterse nachten vaker voor dat een van ons met zijn gezwollen geslacht tegen de ander aan kwam te liggen; daar maakten we dan de volgende ochtend grapjes over.

    Twee winters geleden had ik ineens beseft dat mijn lid altijd stijf werd als Jíri bij mij in bed kroop. En dat elke aanraking onder de dekens, toevallig of niet, voor mij een bron van vreugde was. En niet alleen onder de dekens: wanneer zich maar een gelegenheid voordeed, greep ik hem beet om hem te knuffelen. Elke aanleiding om een stoeipartij te ontketenen greep ik aan. Mijn handen zwierven dan gretig over zijn zwoegende lijf; hij was zo gespierd als een jonge hond, maar de huid onder mijn vingers was zacht en glad. Ook bij dat stoeien voelde ik de laatste jaren onveranderlijk een warme gloed in mijn lendenen en verhief zich mijn geslacht. Gelukkig lukte het me altijd om ervoor te zorgen dat hij dat niet merkte. Ik dankte dikwijls de hemel dat mijn kleding doorgaans te groot was en die van Jíri te klein, en niet andersom!

 Doordat mijn opwinding zo geleidelijk was gegroeid, had het jaren geduurd voor ik me er bewust van was geworden. Al die tijd had ik mezelf wijsgemaakt dat ik onze omgang ‘gewoon prettig’ vond, omdat het ‘zo vertrouwd’ was. Er was een ingrijpende gebeurtenis voor nodig om me te doen erkennen dat ik door mijn jongere broer werd geprikkeld op een manier die… nu ja, die in elk geval niet normaal was.

    Jíri kwam op een nacht laat thuis; hij was gaan drinken in de kroeg in het dorp. Jíri ging graag op stap om met vrienden rond te hangen, bier te drinken en naar de meisjes te fluiten. En hij was bepaald gezien bij de dames, met zijn gespierde lichaam, zijn donkerblonde krullen en zijn grote bruine ogen. Op zich had ik dat ook allemaal, maar zo eender als ons uiterlijk was, zo verschillend was ons karakter. Ik bleef ’s avonds liever thuis om te lezen. Dat had onze vader ons vroeger geleerd. Of ons… mij had hij het geleerd en hij had geprobeerd om het Jíri ook te leren. Maar zoals met zo veel andere dingen had Jíri niet het geduld en het doorzettingsvermogen gehad om zich deze kunst werkelijk eigen te maken, en hij voelde zich onhandig en schutterig als hij iets moest lezen. Net zo onhandig en schutterig als ik me voelde in gezelschap, zeker in dat van meisjes.

    Maar aan de toog was hij zich als een vis in het water. Wanneer hij te veel dronk, belandde hij wel eens in felle kroeggevechten, waar hij doorgaans nog als winnaar uit kwam ook. Hij was een wildebras, die geen enkel risico vreesde en die met volle teugen van het leven genoot – ik was veel voorzichtiger en bedachtzamer.

    Hoe dan ook, die avond kwam hij laat thuis, straalbezopen. Ik sliep al, maar ik werd wakker doordat Jíri tegen een stoel aan schopte. Hij stond zich wankelend uit te kleden. Toen hij klaar was, liet hij zich naakt op zijn bed vallen, dat vlak naast het mijne stond. Hij trok het laken half over zich heen en viel meteen in een diepe slaap.

    Hij snurkte. Dat deed hij altijd als hij gedronken had. Hij lag op zijn linkerzij, van mij afgewend. Door het kleine raam in de gevel scheen een bijna volle maan onze kamer in en ik keek naar Jíri. Naar zijn donkerblonde krullen, zijn nek en zijn schouders en naar zijn gespierde jongensrug. En weer kwam het gevoel van lichamelijke opwinding over me, en ik had een sterke behoefte om zijn billen te zien. Ook al stond elk detail ervan op mijn netvlies gegrift, evengoed wilde ik ze zien. Heel even maar. Dat had ik wel eens eerder gehad. Een paar keer eerder, om eerlijk te zijn. Dan had ik het laken opgenomen dat over hem heen lag, zogenaamd om het recht te leggen en hem zorgzaam toe te dekken, maar na het opnemen was ik dan doodstil blijven staan, alsof ik opeens werd afgeleid door een belangrijke gedachte, en die gelegenheid had ik te baat genomen om mijn hongerige ogen te laten weiden over de verlokkende welvingen.

    En dat deed ik ook dit keer. Ik kwam overeind, sloop naar hem toe, pakte heel behoedzaam zijn laken beet en tilde het op. En ik keek.

    Zijn billen waren volkomen glad. Ze waren glad tot in de spleet, ja, helemaal tot het gaatje aan toe. Dat kon ik nu niet zien, want doordat zijn billen zo rond waren en doordat de gedeelten die door het heldere maanlicht werden beschenen zo sterk contrasteerden met de duistere hoekjes, kon ik in zijn bilspleet niets onderscheiden. Maar ik wist het, van het baden. Ik vond het mooi. Ik was zelf ook laat geweest met het krijgen van lichaamsbeharing, maar had inmiddels toch haar op mijn borst, tussen mijn benen en op mijn kuiten en dijen, en tussen mijn billen. Jíri niet. Bij hem was er alleen dat pluizige plukje boven zijn geslacht. Ik pestte hem daar wel eens mee: dan noemde ik hem een ‘onbehaard knulletje, dat veel te jong was om te begrijpen hoe de wereld in elkaar zat’. Hij werd daar nijdig van; hij had het land eraan dat hij nog altijd zo glad was. Maar ik niet. Ik vond het prachtig.

    En zijn billen waren wit. Zijn rug was sterk gebruind door de eindeloze dagen op het veld, maar zijn billen waren hagelwit, en in het bleke maanlicht dat door het kleine raam precies op zijn onderlijf viel, leken ze bijna licht te geven. Ze waren van een onwerkelijke schoonheid, die mij de adem volledig benam. Ik keek ernaar, onafgebroken, met opengesperde ogen, in totale overgave, zoals een pelgrim na een maandenlange reis kijkt naar de uitgestalde beenderen van een heilige.

    In die bewuste nacht echter had ik niet voldoende aan het kijken naar Jíri’s billen.

 Ik stond naast zijn bed met het laken in mijn hand en staarde. Ik wilde meer. Ik wist dat ik me moest beheersen. Dat wist ik donders goed. Dat ik onmiddellijk dat laken moest laten zakken en als de wiedeweerga moest terugkruipen in mijn nest om vervolgens helemaal nooit meer dit soort krankjorume streken uit te halen. Maar… ik kon het niet.

    Ik vouwde het laken terug en legde het voorzichtig neer, zodat zijn onderlijf ontbloot bleef.

    Toen zakte ik door mijn knieën en hurkte naast zijn bed. Ik boog me ver voorover en bekeek de voorkant van zijn onderlichaam. Onder aan zijn platte buik lag zijn geslacht, in ruste, onder het flossige plukje, tussen zijn gespierde dijen. Ik rook eraan. Een jongenslucht van zweet, pis, voorvocht. Ik inhaleerde de lucht gulzig. Ik kwam weer overeind en boog me over zijn achterkant. Ook daar rook ik. Aan zijn billen. Een lichte zweetlucht. Ik rook tussen zijn billen. Daar rook ik de kruidige geur van zijn anus. Ik werd er ongelofelijk opgewonden van. Mijn eigen lid deed me pijn van stijfheid. Zó diep ging ik met mijn neus Jíri’s bilspleet in, dat ik zijn lichaamswarmte voelde en niet meer dorst ademhalen uit angst dat de luchtstroom hem zou wekken. Het liefst had ik zijn billen met mijn handen willen aanraken, maar dat durfde ik al helemaal niet.

    Mijn eigen lid klopte als een bezetene en was zo hard als marmer. Mijn rechterhand daalde af langs mijn lichaam. Ik zakte op mijn knieën op de grond en bewoog mijn hand op en neer over mijn stijve geslacht, terwijl ik vooroverboog en begerig het duizelingwekkende mengsel van geuren opsnoof dat Jíri’s onderlijf uitwasemde. In een mum van tijd bereikte ik mijn hoogtepunt: ik plengde mijn zaad onder Jíri´s bed op de grond.

 Met het wegebben van de schokken in mijn heupen kwam de benauwdheid, zodat mijn verzadiging naadloos overging in een hevig schuldgevoel. Ik legde het laken terug over Jíri’s slapende lichaam en ruimde met een gloeiende kop mijn zaad weg. Daarna ging ik op mijn eigen bed liggen, helemaal van de kaart.

    Wat was er toch met me aan de hand? Waarom deed ik zulke dingen? Waarom ervoer ik zo’n opwinding wanneer ik naar mijn broertje keek en wanneer hij bij mij in bed kroop? Waarom trok ik steeds vaker het dek naar beneden als hij sliep? En waarom had ik me nu nota bene bevredigd terwijl ik aan zijn billen rook? Was ik soms stapelgek geworden? Geen mens deed toch zoiets? Hoewel… dat wist ik natuurlijk niet zeker. Evenmin als ik het in mijn hersens zou halen om hierover ooit met enig ander mens te spreken, zo min zou een ander ooit aan mij vertellen dat ook hij… Maar hoewel het dorp soms gonsde van de geruchten over ontucht en zedeloosheid en schanddaden en zelfs hekserij, had ik werkelijk nog nooit zoiets gehoord als waaraan ik me zojuist over had gegeven.

    Aan de andere kant… ik deed mijn broertje er toch geen schade mee? Zolang niemand het wist, was er toch feitelijk weinig aan de hand? Zo werd ik heen en weer geslingerd en mijn gemoed vond geen rust.

 Vanaf die nacht gebeurde het vaker dat ik mezelf bevredigde terwijl ik naar Jíri’s achterste keek en eraan rook. Regelmatig, maar zeker op heldere avonden rond de volle maan, moedigde ik hem zelfs welbewust aan om vooral het dorp in te gaan – en als hij weer eens platzak was, dan leende ik hem geld – opdat hij dronken thuis zou komen en ik hem uitgebreid zou kunnen bekijken en besnuffelen.

    Ik kwam ook wel eens aan mijn gerief terwijl ik niet aan Jíri dacht, maar aan een paar meisjes uit het dorp die wij ooit hadden bespied bij het baden in een meertje, of aan de borsten van een toneelspeelster op de jaarmarkt die zo pront en bol uit haar jakje hadden gepuild, maar dat gebeurde niet zo vaak en met het verstrijken van de tijd ook steeds minder.

    Nu eens pijnigde ik mijn hersens met de vraag naar het waarom van mijn handelen en leed ik onder een knagende wroeging. Dan weer hield ik mezelf voor dat ik er niemand mee tot last was. Soms voelde ik een wurgende angst dat ik ooit niet meer genoeg zou hebben aan het ruiken aan Jíri´s onderlijf terwijl ik mezelf bevredigde… dat ik nieuwe, nog zondiger verlangens zou gaan koesteren. Verlangens… die in een richting gingen die mij deden huiveren… van vrees, maar ook… van opwinding… Nee, Milan! Geschokt riep ik mijn fantasie dan haastig tot de orde en ik trachtte mezelf gerust te stellen met de gedachte dat dat onmogelijk was. Dat het immers veel te gevaarlijk was om ooit verder te gaan en dat ik dat heus wel uit mijn hoofd zou laten. Maar als ik me er vervolgens rekenschap van gaf dat ik dat een half jaar geleden ook gedacht zou hebben van hetgeen ik intussen toch met enige regelmaat deed, dan verviel ik tot een somber getob.

 Zo mijmerde ik dikwijls tijdens de lange dagen op het veld van mijn oom, kijkend naar mijn broertje, en zo mijmerde ik ook op deze zondoorstoofde junidag. Het was al laat op de ochtend en ik zag uit naar het middagmaal, want mijn rug deed pijn en het zweet brandde in mijn ogen.

    Toen klonk er hoefgetrappel. Niet stapvoets, van een trekpaard, nee, het was een draven van meerdere paarden. We hoorden het allemaal. En we hoorden ook het piepen van een vering. Dit was om de donder geen boerenkar; dit moest een koets zijn. Er kwam bijna nooit een koets in onze omgeving, dus alle jongens en mannen lieten hun zeis zakken en keken naar de bocht van de weg die langs het veld liep.

    Het getrappel en het gepiep kwamen steeds dichterbij en na korte tijd verscheen het voertuig in de bocht. Het was een grote, kostbare karos, voortgetrokken door twee sterke, zwarte paarden. We namen allemaal onze hoed af en keken. Ik hoef wel niet te zeggen hoe verbluft wij waren toen de voerman een commando brulde, de teugels aantrok en het gevaarte pal voor ons veld halt liet houden! Wat had dit te betekenen?

 – 2 –

 De deur van het rijtuig zwaaide open en er stapte een heer uit, in een deftig, zwart kostuum. Ik had hem nooit eerder gezien. Hij was rond de vijftig, schatte ik. In ieder geval was zijn gelaat gegroefd. Hij keek naar ons en wij negen het hoofd. ‘Gegroet, mannen!’ riep hij. Wij op het veld groetten eerbiedig terug. De ernstige ogen van de man gleden langs de rij pachters die daar voor hem stond, de zeis in de hand. Toen strekte hij zijn arm uit en wees naar… naar mijn broertje en mij! Wát? Maar er was geen twijfel mogelijk: hij wees echt naar ons.

    Jíri en ik keken elkaar met grote ogen aan. Beduusd. Een beetje bezorgd ook. Wat kregen we nu? Om ons heen klonk gemompel. ‘Zijn jullie soms Milan en Jíri, de zoons van Antonin?’ riep de man ons toe.

    Ik vatte moed en deed een stap naar voren. ‘Ja, heer, dat zijn wij.’ Wij hadden niets om ons voor te schamen. Althans, niets waarvan die heer kon weten…

    Hij wenkte ons. Langzaam liepen Jíri en ik op hem af, vanuit onze ooghoeken elkaar aankijkend. Wij waren op onze hoede. Wat was hier aan de hand? Wat moest die vreemde heer van ons?

 Toen we op zo’n vier passen afstand van hem waren gekomen, bleven we staan.

    ‘Ik wil jullie graag even rustig spreken, jongelui. Mag ik jullie vragen om met mij plaats te nemen in de koets?’

    ‘Maar heer… wij moeten maaien,’ zei ik, vol argwaan. ‘Wij moeten ons geld verdienen.’

    ‘Over geld hoeven jullie je geen zorgen te maken,’ zei hij. Hij tastte in zijn jaszak en haalde een stampvolle geldbuidel tevoorschijn. Hij opende de buidel, greep erin en wierp ons ieder een munt toe. Wij vingen de munten op en keken stomverbaasd in onze hand. Een zilveren daalder! Grote God, dat was meer dan we verdienden met een hele week maaien. We grijnsden naar elkaar en haalden onze schouders op. Als deze kwibus geschift genoeg was om ons een weekloon te betalen voor een kletspraatje…

    We zetten onze zeis tegen een boom, staken onze hand op naar de mannen achter ons en stapten in de koets. Achterdochtig, maar ook… nieuwsgierig.

 De heer stapte ook in en sloot het portier. Jíri en ik bekeken ademloos het weelderige interieur. De banken waren bekleed met fijne stoffen en de carrosserie was van binnen afgewerkt met wel twee of drie prachtige houtsoorten die ik nooit eerder had gezien. Wat een rijkdom…

    De heer gebaarde ons om tegenover hem plaats te nemen. Ik schudde zorgvuldig het stof van het korenveld van mijn werkbroek voor ik in de dure kussens zeeg en ik gebood Jíri met een por in zijn zij om dat ook te doen. De heer gaf de koetsier opdracht om te gaan rijden en nam het woord. ‘Mijn meester heeft mij gestuurd om jullie iets te vragen. Namens hem. Hijzelf wenst anoniem te blijven.’ Jíri en ik keken elkaar aan. Wat was dit voor gekkigheid? ‘Hij heeft een verzoek aan jullie en hij zal jullie vorstelijk belonen als jullie aan zijn verzoek willen voldoen.’

    ‘Is het werkelijk, heer?’ vroeg Jíri gretig. Door zijn veelvuldig kroegbezoek zat hij gedurig in geldnood. Altijd al, maar sinds hij verliefd was geworden op Dasja, de mooie dochter van een rijke veehandelaar, was onze armoede voor Jíri een bron van frustratie geworden. Want daardoor maakte hij bij die fijne juffrouw geen schijn van kans, hoewel hij ervan overtuigd was dat het meisje hem op zich best zag zitten. Toen hij daar eens een toespeling op had gemaakt, tijdens een feest op het dorpsplein, had Dasja’s vader smalend gelachen en luidkeels gevraagd of Jíri soms dacht dat hij zijn dochter zou meegeven aan de eerste de beste armoedzaaier, zodat ze bij pachters onder een lekkend dak zou moeten wonen. Het had hem diep gekrenkt en sindsdien was hij voortdurend op zoek naar lucratieve klusjes.

    ‘Jazeker, ik draai er niet om heen. Jullie kunnen de man een zak met veertig zilveren daalders verdienen.’ Wat? Veertig zilveren daalders! Grote God. Dat was een vermogen! Dat was net zo veel als we betaald kregen voor een heel jaar werken op het land… Ik voelde meteen nattigheid: dit was geen zuivere koffie, daarvoor was het bedrag veel te groot. Ik keek de heer recht in de ogen. Die leek heel serieus te zijn, maar dit zaakje stonk, nou en of.

    Jíri’s belangstelling echter was gewekt. ‘Wát zegt u, heer? Een zak met veertig zilveren daalders?’ vroeg hij ongelovig. De heer knikte. Jíri begon luid te joelen. ‘Oooooh! Er is helemaal niks wat ik daarvoor niet doe! Nou, vooruit, iemand vermoorden, dát niet, maar verder…’ Hij greep mijn arm beet en keek me uitgelaten aan. ‘Milan, wat zeg jij ervan? We gaan het doen, toch? Veertig zilveren daalders!’

    Ik voelde me als oudere broer geroepen om hem op zijn kortzichtigheid te wijzen. ‘Ho ho! Je gaat weer veel te snel, broertje. We moeten toch eerst vragen wat zijn meester van ons verlangt? Je kunt toch niet op voorhand zeggen dat je met het voorstel instemt?’

    ‘Tuurlijk, dat moeten we vragen, maar het moet al raar lopen willen we er geen ja op zeggen; zo is het toch?’

    ‘Dat weet ik nog zo net niet. Geld vergoedt veel, maar niet alles, hoor!’

    ‘Aaah, Milan!’ riep Jíri getergd uit. ‘Ja, jij hebt makkelijk praten! Jij neemt genoegen met die duffe geschriften van je. Ik heb behoefte aan vertier, broer, en daarvoor heb je geld nodig! En – nog belangrijker – met veertig daalders kan ik voor mezelf beginnen. Dan kan ik zien dat ik er meer van maak, en dan heb ik kans dat ik Dasja kan krijgen!’ Hij keek tevreden uit het raam van de koets en leek reeds verdiept in mogelijkheden om zijn geld te beleggen. Het ergerde me dat hij zijn fantasieën uitsprak in het bijzijn van de heer. Die moest nu wel denken dat men een paar armoedzaaiers met veertig daalders tot elke denkbare wandaad kon brengen! Want dat het niet deugde wat hij in de zin had, dat was mij allang helder.

 ‘Wat is het, dat uw meester van ons verlangt?’ vroeg ik hem op zakelijke toon.

    De man keek ons beurtelings aan, met een volstrekt uitdrukkingsloos gezicht. Wij hingen aan zijn lippen. ‘Mijn meester verzoekt jullie… om je voor zijn aangezicht te verenigen.’

    Jíri en ik zaten even naar hem te kijken. Daarna keken we elkaar aan, allebei vol onbegrip. ‘Te… verenigen, heer?’ vroeg ik.

    ‘Te verenigen, ja. Op de wijze waarop doorgaans…’ – hij zweeg even – ‘…een man en een vrouw zich met elkaar verenigen. Mijn meester schept er behagen in om dat gade te slaan terwijl hij zelf verborgen is achter een scherm.’

    Er viel een stilte in de koets, waarin alleen het getrappel van de paardenhoeven en het piepen van de vering te horen waren. Jíri en ik waren allebei verbijsterd, maar toch bleek onze reactie op deze krankzinnige mededeling zeer verschillend te zijn.

    Jíri’s gezicht liep rood aan, steeds donkerder, tot hij zijn hand voor zijn mond bracht en wild proestte. ‘Wat een grap!’ riep hij uit, gierend van het lachen. Zijn bovenlijf klapte tegen de rugleuning en weer naar voren. De tranen stroomden over zijn wangen.

    Maar ik zat als bevroren naast hem. Het koude zweet brak me uit en mijn hart klopte in mijn keel. Dit kon toch niet waar zijn? Was het inderdaad een grap? Mijn paniekgevoelens vonden een uitweg in heilige verontwaardiging. ‘U moet zich diep schamen!’ bitste ik tegen de heer. ‘Wij zijn arm, maar wij zijn fatsoenlijke, godvrezende mensen. Dat u rijk bent, geeft u nog niet het recht om ons lastig te vallen met allerlei ontuchtige flauwekul!’

 De heer was ons volkomen neutraal aan blijven kijken. ‘Ik begrijp jullie reactie. Ikzelf ben aan deze dingen gewend geraakt, maar gewone mensen hebben daar tijd voor nodig.’

    Jíri wreef de tranen uit zijn ogen en keek de man verbluft aan. ‘Wat? Is het echt waar dan?’ De heer knikte ernstig.

    Ik voelde het bloed naar mijn hoofd stijgen. Bij alles wat me heilig was… Moeder Gods, het was echt waar… Dit leek wel een nachtmerrie… En opeens werd ik bang. Verschrikkelijk bang. Bang dat ik in een situatie zou belanden waarin ik iets zou doen wat… onzegbaar was. Maar het erge was… dat ik tegelijkertijd merkte dat mijn lid zich verhief en begon te knellen in mijn werkbroek.

    ‘Maar… waaróm, in Godsnaam?’ vroeg Jíri hees.

    De heer haalde zijn schouders op. ‘Wie zal het zeggen. Het doet hem genoegen; dat moet voor ons voldoende zijn. Hij is onmetelijk rijk en hij kan het zich veroorloven om zijn verlangens te bevredigen.’

    ‘Maar…’ Mijn stem haperde en ik moest mijn keel schrapen. ‘Maar heer… waarom wij?’

    ‘Mijn meester heeft een voorkeur voor eenvoudige lieden. Hij loopt rond in boerenkleding en zoekt wie hij begeert. Hij heeft jullie gezien toen hij hier was. Jullie hebben zijn lust gewekt, en dit is wat hij van jullie vraagt. En hij belooft om het bedrag in de zak nog te verdubbelen indien hij buitengewoon tevreden is over jullie…’ – weer weifelde hij even – ‘…optreden.’

 Jíri keek me strak aan, met ogen die gloeiden van hebzucht. ‘Broer, we doen het!’ fluisterde hij.

    ‘Ben je soms gek geworden?’ siste ik. ‘Het is waanzinnig, wat die man verlangt. En… zondig! Het is een ketter! Hij is stapelmesjogge!’

    ‘Maar rijk, broer! Schatrijk! En wij straks ook! Ieder van ons een zak met tachtig daalders… Daar moeten we twee hele zomers voor maaien en ploegen en zwoegen en zweten en buffelen, in de brandende zon! Zo in het handje! Wat kan het ons verrekken?’ Hij keerde zich naar de heer. ‘Niemand anders komt het te weten?’

    ‘Geen mens.’

    ‘Nou dan!’ Jíri had zich weer tot mij gewend. ‘Doe niet zo schijterig, broer! Het is toch zo voorbij?’ Ik zweeg, niet bij machte iets te zeggen. ‘Jij neemt genoegen met een saai leven waarin nooit iets gebeurt!’ voer hij voort. ‘Jij bent tevreden als je doodgaat als een straatarme pachter, maar ik niet, ik wil wat maken van mijn leven!’ Ik begon over mijn hele lichaam te trillen. De gedachte dat mijn eigen broertje hier bezig was om me over te halen om me met hem te verenigen zoals een man met een vrouw, bracht me in zo’n staat van opwinding, dat ik grote moeite had om nog normaal te ademen. Ik boog me wat voorover in de hoop dat de zwelling in mijn broek dan minder op zou vallen.

    Maar… ons verenigen… als een man en een vrouw… ik wilde weten… nee, ik móest weten… ‘Heer, niet om het een of ander – want ik heb nog helemaal niet gezegd dat ik het doe – maar wat ik me zomaar afvroeg: heeft uw meester nog iets gezegd over wie van ons… tot de ander moest ingaan?’

    Jíri leek verrast. Bij hem was deze vraag blijkbaar nog niet opgekomen, zozeer was hij meegesleept door de financiële kant van het voorstel, maar nu ik de kwestie te berde bracht, zag ik dat hij bepaald belangstelling had voor het antwoord. Hij boog zich ver naar voren. De heer knikte. ‘Het is zijn wens dat gij tot uw broer zult ingaan,’ zei hij. Tegen mij!

 Ik voelde mezelf slap worden. Hemelse genade. Het was met mijn weerstand gedaan; hier kon ik niet tegenop. Mijn zondigste verlangen, mijn geheimste koortsdroom… Ik zag aan Jíri’s gezicht dat hij het liever andersom had gehad, maar ik had ook de indruk dat het hem niet eens zo veel kon schelen. Mijn broertje ging voor het grote geld en hij had er zonder enige twijfel nog wel gekkere dingen voor gedaan, waarvan we dankbaar mogen zijn dat ze niet van hem werden gevraagd. Hij stompte me tegen mijn schouder. ‘Hier! Je mag nog bovenop ook! Nou niet meer zeuren, broer. We doen het. Toch?’ Hij beefde van opwinding. Zijn grote bruine ogen schitterden, op zijn gladde jongenswangen lag een blos en ik zag kleine zweetpareltjes op de rand van zijn bovenlip. Hij keek me fel en dwingend aan. Ik aarzelde, maar diep van binnen wist ik dat het voor de vorm was. Ik voelde me meegesleurd in een roes van heftige lichamelijke opwinding en had grote moeite om niet hardop te kreunen. ‘Ja, vind je?’ teemde ik.

    ‘Jaa! Tuurlijk, man! Zo veel geld!’

    Er klonken woorden in mijn hoofd, over kleine jongens die last hadden van het vuil van grote jongens… Het mocht niet, ik móest het zien te voorkomen. ‘Jíri, ik kan het je niet aandoen. In geen geval. Ik wil jou geen… pijn doen.’

    ‘Pijn doen? Ja, pijn gaat het doen, dat is niet anders. Maar hoe erg is dat? Twee hele zomers lang gebukt op het veld staan, maand in maand uit, zwoegend in de blakerende zon, geteisterd door die ellendige steekvliegen, doet dat soms geen pijn?’

    Wat vermocht ik nog in te brengen tegen al die argumenten? ‘Nou ja,’ huichelde ik, ‘als het dan voor jou zo belangrijk is…’

    Jíri greep opgetogen mijn handen vast. ‘Te gek, broer! Dank je wel!’

 Ik maakte een zacht neuriënd geluid: mijn lichaam moest op de een of andere
manier de druk kwijt van de opwinding die mij overviel nu mijn broertje mij
ervoor bedankte dat ik… dat ik tot hem wilde ingaan. Ik kon inmiddels echt niet meer rechtop zitten en moest mijn ellebogen op mijn knieën laten rusten, hoewel de koets daarvoor amper ruimte bood, om de stijfheid van mijn geslacht te verhullen. ‘Maar,’ zei ik, terwijl ik Jíri doordringend aankeek, ‘we zeggen het tegen niemand, helemaal nooit. Afgesproken?’ Jíri stak met een ernstig gezicht twee vingers in de lucht, ten teken dat hij me het bezwoer. Ik deed hetzelfde.

    ‘Goed, zullen we dan maar vertrekken?’ vroeg de heer.

    ‘Wat?’ zei ik verrast. ‘Nu?’

    ‘Waarom niet?’ zei hij. ‘Is deze dag slechter dan een andere?’

Einde fragment.

Meer lezen?
Je kunt het boek hier kopen.