De goede daad van Menno Westerveld

De goede daad van Menno Westerveld

– 1 –

 

Op 23 april 2012, ’s middags om tien voor vier, stapte ik in de trein van Amsterdam naar Assen, om daar die avond op uitnodiging van de cultuurcommissie van een homovereniging voor te lezen uit mijn werk.

Het was pas de tweede keer dat ik zo’n uitnodiging had gekregen. Voor de meeste homoclubs – laat staan voor die van hetero’s – zijn de jongenssprookjes gewoon een brug te ver, laten we wel wezen.

De afgelopen jaren hebben steeds meer mensen via internet deze teksten onder ogen gekregen. Als ze per e-mail reageren, of als ze mij onder vier ogen spreken, dan vertellen ze me dat ze ‘niet eerder zo intens van een tekst hebben genoten’. En dat ze ook zelf al jaren ‘dat soort fantasieën’ hebben. Maar dat ze daar nog nooit met iemand over hebben gesproken. En dan willen ze weten ‘hoe ik het in godsnaam allemaal durf op te schrijven’.

Veel mensen vinden het ongemakkelijk om open te zijn over seks, en zeker over seksuele fantasieën en al helemaal over die van henzelf.

 

Ik moest ook door iets heen voor ik het durfde. Maar nu doe ik het. In mijn jongenssprookjes geef ik mezelf volledig bloot, met mijn hele seksuele hebben en houden, met mijn eindeloze hunkering en met alle ketenen van obsessie en herhaling die ik rinkelend achter me aan sleep; wie mijn verhalen heeft gelezen, weet precies wat voor een viezerd of ik ben. Het zij zo. Als ik dat niet zou doen, dan zou ik schrijven over wat ik denk dat ándermans fantasieën zijn en zelf veilig buiten schot blijven; dan zouden de jongenssprookjes liefdeloze handelswaar zijn. Maar nu… nu zijn deze verhalen mijn manier om jou, mijn lezer, te beminnen; mijn manier om jou te boeien, niet met touwen maar met de woorden die opwellen in mijn hart, in mijn hoofd en in mijn onderlijf; mijn manier om jou te verwennen, met een literair liefdesspel dat overloopt van hartstocht, voor seks en voor taal.

 

Op de een of andere manier lijk je als kind feilloos te begrijpen dat het niet de bedoeling van de volwassenen is dat jij gaat praten over wat je seksueel beleeft en over de seksuele fantasieën die je ontwikkelt. Ik hield dan ook braaf mijn mond, denkend dat ik de enige was die zich met zulke dingen bezighield. En later zweeg ik omdat ik dacht dat mijn spelletjes en mijn verlangens heel ánders waren dan die van andere mensen – hoewel we het er dus nooit over hadden. En dat geldt voor nagenoeg iedereen: we zijn gewend om te zwijgen over wat we ten diepste ervaren en fantaseren. Dus dat ongemak is er tussen kinderen, dat is er tussen pubers, en dat is er twintig of zestig jaar later nog steeds. Dat kan ik niet veranderen en dat hoeft ook helemaal niet. Maar seks is een oerkracht die zin geeft aan mijn leven, en mijn fantasie is de spiegel van mijn seksuele verlangen. En ik ben ermee gestopt om daar stiekem of geheimzinnig over te doen; ik heb mijn schroom bij het grofvuil gezet. En dan blijkt… dat heel veel mensen dezelfde fascinaties hebben als ik. En niet zelden werkt mijn openheid daarover aanstekelijk; want er zijn een boel mensen die in reactie op mijn verhalen op hun beurt heel eerlijk worden tegen mij, en aan wie dat een sterk gevoel van opluchting geeft. Ik krijg dan ook veel wonderlijks te horen, neem dat maar van mij aan. Zowel over fantasieën als over opmerkelijke seksuele avonturen.

 

Maar goed, ik zat dus in die trein, want ik was weer voor een voorleesavond gevraagd, in de provincie nog wel, en onderweg las ik de teksten die ik had uitgekozen nog een paar keer door, tobbend over vraagstukken van tempo en dynamiek. Juist omdat bijna niemand mij durfde uit te nodigen, had ik het gevoel dat ik de mensen die die moed wel hadden, niet mocht teleurstellen; dat ik het hun min of meer verschuldigd was om ‘vuurwerk te leveren’.

Zoals gezegd, ik had het eenmaal eerder gedaan. Dat was een maand of drie daarvoor, in Amsterdam-Zuid. Zo tegen kwart over acht, toen het begon, was ik ronduit zenuwachtig, maar toen ik eenmaal op dat podium stond met die microfoon in mijn handen, kon me niets meer gebeuren. Toen kon ik alles hebben uit de zaal. Dat was maar goed ook, want er waren een paar mensen die blijkbaar niet wisten wat er op het programma stond; toen ik in een wat kruidiger passage belandde, zaten ze me verbijsterd aan te staren of hielden juist hun handen voor hun gezicht. Tot ze opstonden en de zaal uitliepen; sommigen verbeten hoofdschuddend, anderen snuivend van heilige verontwaardiging.

Maar toen zij de deur eenmaal achter zich hadden dichtgetrokken, voelden de overige bezoekers zich veilig, geborgen zelfs, en lieten ze zich behaaglijk meeslepen door mijn verhalen.

 

Deze tweede lezing, in Assen, die werd nog gesponsord ook, door het lokale filiaal van de ING nota bene – de secretaris van het bestuur van de vereniging scheen daar in de directie te zitten. Dat viel me niks tegen van zo’n bank. Daardoor had men mij zelfs een royale vergoeding in het vooruitzicht kunnen stellen; dat was de vorige keer wel anders geweest.

Op het station van Assen zou ik worden afgehaald door een vertegenwoordiger van genoemd filiaal, met wie ik een hapje zou eten, waarna we samen naar het zaaltje zouden gaan. Men had mij niet gemeld wie er zou komen, maar de persoon in kwestie zou zich op het station ‘vanzelf’ tot mij wenden.

 

Toen ik in Assen uit de trein stapte, zag ik op het perron Menno Westerveld staan. Ik herkende hem onmiddellijk, hoewel ik hem in geen tijden had gezien.

Zo rond het jaar 2000 kwamen Menno en ik elkaar vaak tegen in Amsterdamse darkroombars. Hij was indertijd een jaar of vijfentwintig en wat je noemt een bloedmooie jongen: hoogblond, met een paar prachtige blauwe ogen en een slank maar gespierd sportschoollijf. Ik heb natuurlijk geprobeerd hem te versieren – hij leek me het type dat ervan houdt om stevig te worden aangepakt; ja, misschien zelfs wel een tikje hardhandig… – maar hij viel alleen op latino’s, zei hij. Nou ja, pech gehad. We maakten echter geregeld een praatje, waarbij hij me ook wel eens wat vertelde over zijn werk. Hij had fiscale economie gestudeerd en was daarna in dienst getreden bij een grote financiële instelling, waar hij multinationals adviseerde bij het ‘vermijden van belastingen’, zoals hij het noemde. Hij was zo’n jongen die keihard werkte aan zijn carrière en het geld dat hij verdiende, besteedde aan zijn uiterlijk, aan uitbundig stappen en aan buitenlandse reizen, meestal naar Mexico, of Cuba, dat soort landen.

Zo rond 2002 zagen we Menno ineens niet meer in de kroegen. We vermoedden dat hij omwille van de liefde naar Latijns-Amerika was vertrokken, maar niemand wist het zeker.

 

Menno liep meteen op me af en we begroetten elkaar hartelijk. Mijn mond viel open toen hij de gastheer bleek te zijn naar wie ik op zoek was. ‘Maar Menno, wóón jij hier dan?’

‘Ja, dat had je niet verwacht, hè?’ Hij stelde voor om iets te gaan drinken in een café tegenover het station.

Toen we daar aan een tafeltje bij het raam zaten, vroeg ik hem hoe iemand die zich senang voelt in spiegelende wolkenkrabbers en bedompte darkrooms, in hemelsnaam belandt in Assen. ‘Dat is een heel lang verhaal, Eric. Ik heb er niks tegen om het je te vertellen, integendeel; dat zou ik juist heel graag willen. Maar jouw lezing begint om half negen en voor die tijd red ik het niet. Maar als je morgen niks dringends hebt, dan nodig ik je graag uit om vanavond met me mee naar huis te gaan; we hebben een prima logeerkamer. Ik heb morgen vrij, want ik werk parttime, dus vannacht hebben we dan alle tijd om te praten.’

‘Jij en parttime werken? Jij maakte toch altijd werkweken van zeventig, tachtig uur?’

Hij glimlachte. ‘Hier bij het filiaal in Assen werk ik maar twintig uur in de week. Als loketmedewerker.’

‘Mijn god, Menno, wat is er met je gebeurd?’

‘Neem je mijn uitnodiging aan of niet?’

Ik aarzelde. Het was niet voor niks dat we elkaar indertijd nooit buiten de uitgaansscene hadden gesproken; hij zag er lekker uit, maar ik had hem altijd nogal oppervlakkig gevonden. Aan de andere kant leek hij wezenlijk te zijn veranderd en dat maakte me nieuwsgierig. ‘Kun je een tipje van de sluier oplichten?’

‘Nee. Het is het hele verhaal of niets.’

‘Hm… Okay. Ik doe het.’

 

De lezing verliep uitstekend, bij vlagen ronduit tumultueus. Tijdens het voorlezen zag ik uit mijn ooghoeken menigeen in zijn kleding tasten en de lichamelijke gevolgen van mijn werk wat comfortabeler schikken. Er waren twee jonge mannen in het leer die zich wat onwennig bewogen in het gezelschap, zodat ik de indruk had dat ze dat anders alleen droegen als ze party’s ‘in de grote stad’ bezochten.

Aan de bar werd er geanimeerd nagepraat. Her en der waren mannen elkaar aan het versieren en het deed me genoegen dat mijn jongenssprookjes blijkbaar inspireerden om ‘het geleerde in praktijk te brengen’. Toen was het tijd om met mijn gastheer mee naar huis te gaan.

 

Menno bleek op een kleine boerderij te wonen, een kilometer of tien buiten Assen. Hij was daar ingetrokken bij Aaldert, zijn vriend. Aaldert verzorgde de moestuin en de beesten en Menno combineerde het huishouden met zijn parttime baan bij de bank.

Zoals een goede boer betaamt, lag Aaldert al op bed toen we zachtjes de donkere woning binnenkwamen. Menno maakte de houtkachel aan en schonk twee glazen wijn in. We gingen aan de keukentafel zitten.

‘Nou, voor de draad ermee, ik ben stiknieuwsgierig.’

‘Zoals ik zei: ik wil het heel graag vertellen, Eric, juist aan jou. Jij schrijft rare verhalen over seks en dat is dit: een raar verhaal, om niet te zeggen: een ongelooflijk verhaal, over seks. Misschien is het wel iets voor een jongenssprookje.’

‘Wie weet, inderdaad.’ Het zou niet de eerste keer zijn dat ik dankbaar gebruik maakte van iets wat iemand me vertelde, maar ik vond dat hij wel erg verwachtingsvol keek.

‘Mijn verhaal is echt gebeurd, weet je.’

‘O ja?’

‘Ja. Tenminste, dat denk ik. Of nee, ik weet het wel zeker.’

 

Ik begon mij af te vragen of ik Menno’s uitnodiging niet een beetje onbezonnen had aangenomen. Hier zat ik, om twaalf uur ’s nachts in een boerderij op het platteland bij Assen, om een lang en ook ‘raar’ verhaal aan te gaan horen, waar al vanaf het eind van de middag geheimzinnig over was gedaan. Een verhaal waarvan geen enkel detail had mogen worden onthuld, maar waarvan de verteller, als ik het goed begreep, niet eens zeker bleek te weten of het nou wel of niet echt gebeurd was! Wat een flauwekul allemaal. Het zou bot zijn om Menno’s relaas halverwege te onderbreken en mijn bed op te gaan zoeken, dus ik zou het moeten uitzitten.

 

Aan de andere kant: de verandering die zich in Menno’s leven had voorgedaan was zonder meer opmerkelijk en ik was nieuwsgierig. We zouden wel zien. Ik had de volgende dag toch niks te doen en ik kon altijd zeggen ‘dat ik er eens naar zou kijken’. De wijn smaakte uitstekend, dus voorlopig zat ik hier prima.

‘Ik heb wel een voorwaarde,’ zei Menno. ‘Als je het gebruikt, dan moet je het héle verhaal gebruiken en precies zoals ik het je vertel.’ Die dwingende benadering, die beviel me niet zo. Mijn reserve ontging Menno niet. ‘Sorry, maar ik zeg dat, omdat het cruciaal is, Eric. Als je er ook maar íets in verandert, dan zal de lezer direct zeggen: “Hallo, denk je dat ik dit geloof? Amme hoela. En wat een sukkel is die Menno, dat hij het wél gelooft!” Dus je moet het precies zo opschrijven als ik het vertel. Nou ja, afgezien van de grammatica dan.’ Hoe genereus; ik mocht de grammatica corrigeren…

‘Nou, steek maar eens van wal.’

‘Wil je iets te schrijven hebben?’ Gelukkig bleek ik mijn memorecorder bij me te hebben. Dat bespaarde me een hoop vergeefse moeite en het deed Menno zichtbaar goed dat ik aldus de gelegenheid zou hebben om zijn verhaal woordelijk weer te geven.

Ik kon op dat moment niet vermoeden dat ik de volgende ochtend een kopie van mijn opname naar drie verschillende e-mailadressen zou sturen én een back-up op een usb-stick zou maken, omdat ik tot elke prijs het risico wilde vermijden dat dit geluidsbestand in het ongerede zou raken.

 

Lees meer