Pure liefde

Pure liefde

– 1 –

 

Doordat de lamp in het portiek weer eens kapot was, zag ik het bewegingloze lichaam niet direct liggen. Ik liep ertegenaan en was er bijna bovenop gesodemieterd; ik kon me nog net aan een deurpost vastgrijpen. Gadverdamme. Alweer een junk voor mijn deur.

     In het schaarse licht van een straatlantaarn iets verderop kon ik een magere gestalte onderscheiden. Ik stapte over zijn benen heen, maar hij lag echt tegen mijn voordeur aan. Ik moest hem aan de kant schuiven wilde ik de deur kunnen openen zonder dat hij het trappenhuis in zou vallen. Jakkes. Moest ik die viezerik nog aanraken ook. Ik greep hem onder zijn oksels en lette erop dat ik door mijn mond ademde; de vorige keer had ik nog urenlang met die zure zwerverslucht in mijn neus gelopen. Ik tilde het slappe lijf aan de kant en liet hem tegen de zijmuur van het portiek zakken; zwaar waren ze meestal niet. De junk bewoog zich, kreunde zachtjes en leek wakker te worden.

‘Goedemorgen!’ toeterde ik, als een te opgewekte bejaardenverzorgster. ‘Tijd voor een wandeling!’

     ‘Shit, man. Wat is er?’ mompelde de junk.

     ‘Je moet het portiek uit, dat is er. En niet meer terugkomen. Ik woon hier en ik heb geen zin om iedere keer junks aan de kant te slepen als ik mijn huis in en uit wil. Kom op, smeer ’m!’

     ‘Heb je wat geld voor me? Ik heb vandaag nog helemaal niks gegeten, weet je.’

     Ik zuchtte. ‘Nee, ik heb geen geld voor je. En je gaat er ook echt geen eten voor gaan kopen. Ik ken jullie.’

     ‘Echt wel, man. Ik barst van de honger.’

     Ja ja, dacht ik, honger in witte en bruine bolletjes… ‘Nee, ik geef je geen geld. Je kunt een boterham krijgen. Als je belooft dat je meteen opkrast en niet meer terugkomt. Nooit meer! Deal?’

     ‘Cool, man. Deal.’

Ik opende de deur van het trappenhuis en knipte de lamp aan. Het licht viel naar buiten, op de jongen die tegen de muur aan zat. Hij was iets ouder dan ik; ik schatte hem achter in de twintig. Haveloos gekleed, mager maar niet dramatisch, zwarte randen onder zijn nagels, een kop met piekerig blond haar. Hij keek naar me en ik werd getroffen door zijn blik. Sodeju, wat had die gast een mooie ogen… Hartstikke groen en heel helder. Jammer dat zijn kop zo ingevallen was. Maar ja, wat wil je – het leven op straat valt niet mee. Maar die ogen, die waren prachtig. En ze keken zo… sereen, dat was het. Zou hij soms net gebruikt hebben? Zijn blik volgde me terwijl ik het trappenhuis in stapte.

     ‘Hé, je komt toch wel terug, hè, met die boterham?’ vroeg hij opeens bezorgd. ‘Je hebt het beloofd, hoor!’

     Ik dacht dat ik een cynische stadsrat was, maar nu voelde ik me toch beroerd, omdat die jongen daar ’s avonds in de vrieskou op de grond zat en bang was dat hem een snee brood door de neus zou worden geboord. Verdomme, wat hadden die junks toch ook een kloteleven.

     ‘Maar natuurlijk, meneer!’ zei ik, gemaakt luchtig. ‘En? Wat blieft u erop?’

     Hij grinnikte en speelde het spelletje mee. ‘Doet u maar kaas. Maar eh… wel oude kaas graag, als u hebt.’

     ‘Ik zal eens zien,’ zei ik grijnzend. Ik realiseerde me dat ik allang niet meer door mijn mond ademde en dat hij blijkbaar niet heel erg stonk, want ik had nog niks geroken. Ik wou de trap op lopen naar mijn etage, maar aarzelde: wat moest ik nou met die voordeur doen? Ik liet ’m nooit open staan; dat kon echt niet in deze buurt. Maar om hem nou dicht te gooien, midden in die jongen zijn snufferd, dat was wel erg lomp.

     ‘Kom even binnen, dan kan ik de deur dichtdoen,’ zei ik. Ik liep een paar treden omhoog, om plaats te maken in het nauwe trappenhuis. De jongen begon overeind te krabbelen, maar had daar duidelijk moeite mee. Hij leek problemen te hebben met zijn linkerbeen, want daar zakte hij steeds doorheen. ‘Wat is er gebeurd met je been?’

     ‘O, gevallen, weet je,’ mompelde hij. Ik liep de traptreden weer af, trok zijn ene arm over mijn schouder en zeulde hem het trappenhuis in. Hij stonk inderdaad niet. Ik zette hem op de trap neer, zijn rugzakje ernaast, en deed de deur dicht. ‘Tering, man. Lekker warm!’ zei hij genietend. Lekker warm! Ik vond het een akelig koud en tochtig trappenhuis, maar ja, hij was de straat gewend, in januari.

     ‘Ik ben zo terug.’

     ‘Okay.’

Ik ging de trap op naar de eerste verdieping, maakte mijn etagedeur open en liep naar de keuken. Ik keek in de koelkast. Volkorenbolletjes, croissants, een hele zooi beleg, waaronder belegen kaas, vruchtensap, de pan bolognesesaus die ik gisteren had gemaakt en een zak sla… Zou ik hem naar boven vragen, of werd ik nou erg sentimenteel? Het was typisch zo’n verhaal dat je hoort van mensen die achteraf wakker zijn geworden met een bult op hun harses, terwijl hun autosleutels, bankpasjes en laptop zijn verdwenen. En tegen wie je dan zegt: ‘Vind je het gek, als je een junk in huis haalt?’ Nee, geen fratsen, Thijs, het leven is ingewikkeld genoeg.

     Ik pakte twee volkorenbolletjes, sneed ze door, besmeerde ze royaal met boter, sneed vier dikke plakken belegen kaas af en legde die erop. Bordje eronder, vooruit: glaasje jus erbij dan, maar verder geen poespas. Ik liep ermee naar beneden.

     ‘Kijkt u eens, meneer. Uw bestelling is gereed.’

     Hij moest weer lachen. ‘Goed portiek is dit. Moet ik vaker in gaan liggen.’

     ‘Als je het maar laat,’ zei ik zuur.

     Hij viel aan op de broodjes en had ze binnen een halve minuut verslonden. Toen dronk hij gulzig het glas sap leeg. Ik bukte om het lege bord van de trap op te pakken toen hij ineens naar zijn maag greep. ‘Kut, man!’ Hij kokhalsde. ‘Doe die deur open!’ kermde hij tegen me. Ik rukte de voordeur open. De jongen kroop naar buiten en gaf over in het portiek. Ik zuchtte weer. Jezus, Thijs, waarom stink je er nou weer in? Je weet het toch? Altijd ellende en viezigheid met die junks.

     De jongen leunde met beide handen op de grond en keek ontdaan naar me op. ‘Shit, man! Het spijt me zo. Te snel gegeten. Wat klote! Geef je me die lekkere broodjes en dan kots ik je portiek vol… Maar ik ga het opruimen, echt waar. Heb je een doekje of zo?’

     ‘U zegt het maar, meneer,’ mompelde ik chagrijnig en ik liep de trap op.

Toen ik naar beneden kwam met een emmer water en een dweil, zag ik dat de jongen bezig was om de stukjes brood en kaas die hij kon herkennen, uit het braaksel te vissen en in zijn mond te stoppen. ‘Wat zit jij nou te doen, idioot?!’

     Hij keek me aan en kreeg een kleur. ‘Ik heb zo’n honger, man,’ fluisterde hij. ‘En ik weet toch niet wanneer ik weer wat krijg?’

     Godverdomme, je zal toch zo moeten leven… En in een opwelling zei ik: ‘Kom mee naar boven. Je krijgt te eten, maar je neemt hele kleine hapjes en ik zet die emmer naast je stoel!’

     ‘Echt waar? Te gek, man!’

     Ik begon zijn kots op te dweilen. Hij zat er bedremmeld naar te kijken en bleef maar mompelen: ‘Het spijt me echt, weet je…’

Toen ik klaar was, pakte hij zijn rugzak en probeerde overeind te krabbelen, maar zijn linkerbeen bleek inderdaad zijn gewicht niet goed te kunnen dragen. Ik hielp hem de trap op. Onderweg dacht ik: Thijs, die gast is mager en gammel en hij kan amper lopen. Het is een wrak. Wat kan jou nou gebeuren?

– 2 –

De junk at in totaal twee croissants, een bak sla, drie borden pasta met bolognesesaus en een schaal vla. Hapje voor hapje, op mijn bevel grondig kauwend, met de emmer naast zijn stoel. Maar het ging goed.

     Omdat hij stug doorkauwde, spraken we niet veel met elkaar. Hij zei dat hij het koud had gehad buiten en dat hij door andere daklozen was weggepest van een opvangplek waar hij de nachten ervoor had geslapen. Ik vertelde dat ik bij een reclamebureau werkte, dat het een lange, drukke dag was geweest en dat ik straks nog uitging, naar de McFuck. Hij moest lachen om de naam en vroeg wat het was. Ik vertelde dat de McFuck een darkroombar was die zes maanden daarvoor was geopend. Ze hadden een labyrint in de kelder met wel twintig cabines, allemaal met pornofilms en gloryholes. Ik vond het een geweldige tent en kwam er graag. De junk zat me verwonderd aan te kijken. Dat verraste me niet. Op mijn werk vertelde ik ook wel eens iets over mijn weekend en dan kreeg ik ook geregeld verbaasde blikken. Homo’s gaan anders uit dan hetero’s.

Dat eten van hem duurde natuurlijk eindeloos. Dus toen ik mijn pasta op had, ging ik vast het aanrecht opruimen, want dat had ik de vorige avond na het koken niet meer gedaan. Ik had de jongen zo neergezet dat ik hem vanuit de keuken in de gaten kon houden. Geen rare dingen.

     Het was half twaalf. Als ik nog uit wou, dan moest ik hem zo langzamerhand de deur uit werken. Het was een aardige jongen en ik was weg van die groene ogen. Maar verder? Hij was mager en in zijn kruis zag ik niet veel zitten; hij had ook dunne vingers. Maar die ogen… Thijs, jongen, zei ik tegen mezelf, ben je nou al zo wanhopig dat je het wilt aanleggen met een manke junk? Een mager scharminkel met een kleine pik? Tssss…

     Ik besloot tot twaalf uur te wachten, en dan te besluiten of ik hem zou wegsturen of dat ik mijn bezoek aan de McFuck naar zaterdag zou verschuiven. Zaterdagavond was ook goed: nog drukker dan op vrijdag, dus dan moest je vroeger komen, omdat je anders te lang op een lege cabine moest wachten. Maar ik ging het liefst op vrijdagavond. Dan was ik afgedraaid van een hele werk werken, maar opgewarmd door het borrelen met de collega’s, en dan had ik veel zin in seks.

Ik werkte op het reclamebureau als secretaresse. Vaak vonden mensen het raar als ik dat zei, omdat ik een jongen was. Dan beweerden ze dat ik ‘secretaris’ zou zijn. Maar dat vond ik onzin. Het beroep is secretaresse, niet secretaris. Een vrouwelijke staatssecretaris noem je ook geen staatssecretaresse.

     Ik had er altijd lol in als er telefoontjes kwamen voor mijn baas, Sjoerd, van onbekenden, die mij vroegen om hen door te verbinden met zijn secretaresse. ‘Dat ben ik,’ antwoordde ik dan.

     ‘Ja, maar… ik bedoel zijn secretaresse.’

     ‘Spreekt u mee.’

     En dan begonnen ze hakkelend te vertellen waarvoor ze belden.

     Mannelijke secretaresses waren zeldzaam, net als vrouwelijke autoverkopers, en net als de meeste vrouwelijke autoverkopers was ik een kei in mijn vak. Helemaal nu ik voor Sjoerd werkte, want ik had nog nooit zo’n fijne baas gehad. Hij was intelligent en heel charmant, maar goudeerlijk en oprecht geïnteresseerd in andere mensen. Ik vloog voor Sjoerd! Ik herinnerde hem aan afspraken die hij was vergeten, haalde taalfouten uit zijn brieven, tikte met een razende snelheid rapporten, maakte presentaties, ging met hem mee naar vergaderingen om te notuleren, gaf zijn gasten hun favoriete koffie, bracht zijn kostuum naar de stomerij en boekte vluchten en leuke hotelletjes als hij naar het Europese hoofdkantoor in Parijs moest.

     Sjoerd was achtendertig, een stuk ouder dan ik, maar lékker! Lang en rijzig, gespierd, met een kop met wilde, zwarte krullen. Hij had grote bruine ogen met pretlichtjes en een brede mond met volle lippen. Ik was bepaald niet de enige die zich tot hem aangetrokken voelde, want wanneer hij op het hoofdkantoor in Parijs vergaderde, dan e-mailden mijn collegaatjes daar dat alle secretaresses plotseling in de kamer moesten zijn waar hij zijn bespreking had en dat de dames massaal op de gang stonden te kirren. Hij was hartstikke hetero; zijn vrouw heette Linda en ze hadden twee kinderen, Max van vier en Claire van twee. Er stonden foto’s van zijn gezin op zijn bureau.

     Sjoerd wist natuurlijk dat ik homo was, zoals iedereen bij het bureau. Daar zat hij totaal niet mee. Integendeel. Hij kwam wel eens tegenover me zitten, aan het eind van de dag, als de telefoons tot rust waren gekomen. Dan dronken we een biertje en hadden we leuke gesprekken. Hij vroeg dan dingen over de dates die ik had, over waar ik ging stappen in het weekend en over mijn vriendjes – die had ik nu eens wel en dan weer niet – en ik op mijn beurt informeerde naar het wel en wee van zijn gezin. Ik vond dat erg plezierig. Nee, ik had het prima getroffen bij dat bureau. Ik vond mijn werk leuk, ik had lol met mijn collega’s en ik was in de wolken met een baas als Sjoerd.

Maar er hing een schaduw boven onze afdeling. Wij waren dag in dag uit bezig met opdrachten van een grote auto-importeur waarvan ik de naam niet kan noemen. Het was de grootste klant van het bureau. Toen ik er net werkte, leerde ik natuurlijk collega’s kennen, in de kantine bij de lunch en tijdens de vrijdagavondborrel in de inpandige bar, en als ik dan vertelde dat ik voor de auto-importeur werkte, viel er dikwijls even een stilte. ‘Poeh,’ zei zo’n collega dan, of: ‘nou, nou,’ of hooguit: ‘aha’. Het werd me al snel duidelijk waarom. De medewerkers van de importeur wisten dat het bureau afhankelijk was van hun budgetten en maakten daar schaamteloos misbruik van. Ze kwamen altijd veel te laat met hun opdracht en veranderden die als de uitvoering ervan al was gestart, ze maakten afspraken die ze later ontkenden en deden nooit wat ze beloofden. Het was bar en boos. Maar de marketeers van de importeur werkten samen met wel vier of vijf verschillende reclamebureaus, die ze gewiekst tegen elkaar uitspeelden. En de budgetten waren reusachtig. Daardoor moesten de mensen van onze afdeling als trekpoppen gehoorzamen aan de grillen van de klant.

     Vaak kwam er aan het eind van de middag opeens een e-mail, dat Sjoerd de volgende ochtend een presentatie moest geven aan de directie. Dan gingen we samen aan het werk. Terwijl ik achter mijn computer met grafieken en tabellen en teksten in de weer was, zat Sjoerd naast me printjes te corrigeren. Het hele bureau was al naar huis, alleen in mijn kamer brandde nog licht. Ik had het voor geen ander gedaan: zo lang doorwerken, soms wel tot één uur ’s nachts! Maar Sjoerd kon ik niets weigeren. Hij was een schat van een man, terwijl hij tegelijkertijd hartstikke stoer was. Na zo’n avond nam hij elke keer de volgende dag een fles wodka voor me mee, of zelfs een prachtige bos bloemen… Wat was hij attent! Die Linda had het maar getroffen. Soms was ik best een beetje jaloers op haar.

In tegenstelling tot mijn collega’s bij het reclamebureau vonden de medewerkers van de auto-importeur homoseksualiteit maar iets raars. Er werkte geen enkele openlijke homo bij dat bedrijf en als zij het over homo’s hadden, was dat altijd erg denigrerend. Toen ik pas bij het bureau werkte, werden er wel eens dubbelzinnige opmerkingen gemaakt als ik tijdens vergaderingen koffie inschonk, chocolaatjes serveerde en notuleerde, maar na een bezoek van Sjoerd aan de directie was daar abrupt een eind aan gekomen.

Soms gebeurde het dat Sjoerd geen afspraken in zijn agenda had staan en lekker in een spijkerbroek naar het bureau kwam, en dat er dan opeens iemand van de auto-importeur opbelde, die zei dat hij onmiddellijk moest verschijnen. Speciaal voor die gelegenheden hing er altijd een kostuum klaar op zijn kamer. En omdat tussen zijn kamer en de mijne een glazen wand was, zag ik dan hoe hij zich omkleedde. Ik deed dan alsof ik aandachtig naar mijn scherm tuurde, maar zag vanuit mijn ooghoeken wel degelijk hoe hij zijn jeans en zijn T-shirt uittrok. Hij had een prachtig gespierd lijf. Zijn zwarte krullende borstharen gingen over in een behaarde buik en vandaar liep een brede, gitzwarte streep naar zijn slip, waarin zich een forse bobbel aftekende. Terwijl ik naar ’m zat te gluren, kreeg ik steevast een harde lul en dan grinnikte ik zachtjes bij de gedachte aan mijn collegasecretaresses op het hoofdkantoor in Parijs: wat zouden die meiden jaloers op me zijn!

Al mijmerend zette ik de laatste borden in de vaatwasser. Ik liep terug naar de huiskamer en ik zag dat de jongen alle schalen en bakjes had leeggegeten. Ik keek in de emmer. Ook leeg. ‘Ziezo, dat zit erin,’ zei ik tevreden.

     ‘Waarom doe je dit allemaal?’ vroeg hij. Hij lag onderuitgezakt in de stoel.

     ‘Zomaar. Omdat ik met je te doen had.’

     ‘Ik wil wel graag wat terugdoen.’

     ‘Nee, dank je; ik hoef geen tomtom.’ We lachten allebei.

     ‘Hoe heet je eigenlijk?’ vroeg hij.

     ‘Thijs. En jij?’

     ‘Michiel.’ Hij stak een hand uit en ik schudde die. ‘Aangenaam,’ grinnikte hij. ‘Goed hotel hier, weet je.’

     ‘Geen geintjes, Michiel. Wij hebben een deal: straks ga jij de deur uit en je komt niet meer terug. Begrepen?’ Hij knikte.

Op dat moment begon het te sneeuwen. Dikke vlokken dwarrelden tegen de ramen, smolten op het glas en dropen naar de vensterbank. We zaten er allebei zwijgend naar te kijken. Ik besloot de McFuck te schrappen. Ik zei het tegen Michiel. ‘O, dus je hebt geen haast meer?’

     ‘Nee, nou niet meer.’ Ik maakte een wodka-jus voor mezelf; ik keek Michiel vragend aan en hij knikte vrolijk.

     Toen ik hem zijn glas gaf, zei hij: ‘Ik ben nou hartstikke gelukkig, weet je dat?’ Ik had het aan hem gezien. ‘Het is mijn schuld dat jij nu geen seks hebt vanavond. Als ik niet in je portiek had gekotst, was je allang in die bar geweest.’

     Stuurde hij ergens op aan? ‘Dat is waar,’ zei ik, ‘maar morgen is er weer een dag.’ Hij vroeg of ik een vaste vriend had en ik zei van niet. Toen vroeg hij of ik wel eens seks had gehad met iemand die echt smóórverliefd op me was. Ik dacht even na en schudde toen langzaam mijn hoofd. ‘Nee… nee, dat heb ik niet. Wel dat we elkaar heel geil vonden natuurlijk, en ook wel eens dat ik smoorverliefd was op hém, maar hij op mij… Nee. Er is wel een paar keer iemand smoorverliefd op me geweest, maar dat was dan mijn type niet.’

     ‘Het is kicken, man!’ Dat kon ik me indenken. Tenminste, als jij diegene die verliefd op je was zelf ook aantrekkelijk vond, natuurlijk. Maar dan moest het inderdaad geweldig zijn… De paar keer dat ik had gevreeën met mannen op wie ik zelf heel erg verliefd was, had ik ongelooflijk mijn best gedaan. Ik was ook heel sensitief geweest: alsof ik een zesde zintuig had, zo precies had ik aangevoeld waar zo’n man naar verlangde. ‘Ik kan het voor je regelen, weet je,’ zei Michiel. Ik moet hem erg argwanend hebben aangekeken, want hij begon hard te lachen. ‘Nee, dat bedoel ik niet, man; ik ben hetero.’

     Hij rommelde in zijn rugzak en haalde er een klein, zilverkleurig doosje uit. ‘Weet je, Thijs, ik wil wat terugdoen, omdat je me vanavond zo gelukkig hebt gemaakt. Terwijl je ook gewoon “fuck you” had kunnen zeggen. Ik wil je wat geven. Het is iets heel bijzonders.’ Hij opende het doosje. Er zaten drie ovale pillen in, grijzig van kleur; ze leken op Fisherman’s Friends.

‘Drugs,’ zei ik sceptisch.

     Hij knikte. ‘Ja, maar een hele speciale. Het is een love drug.’

     ‘Ken ik al.’

     ‘Nee, ken je niet. Dit zijn de enige drie pillen die er bestaan.’ Ik lachte schamper. ‘Nee, echt waar! Er waren er zes en ik heb er drie uitgedeeld.’

     ‘Uitgedeeld? En wat doet dat spul?’

     Hij keek dromerig voor zich uit. ‘Ze worden helemaal verliefd op je, echt waar. Hélemaal. Ze geven zich totaal aan je. Geen reseves, geen remmingen, alleen maar liefde, Thijs… pure liefde…’

     Ik liet zijn woorden tot me doordringen. ‘Wat is pure liefde, Michiel?’

     ‘Dat is voor iedereen anders, natuurlijk. Jouw pure liefde is anders dan de mijne. Het is de puurste liefde waartoe iemand in staat is. De vrouwen aan wie ik het heb gegeven, voelden wel haarfijn aan wat ik fijn vond, maar ze werden geen robotten of zo; ze bleven zichzelf. Ludmilla, in Sint-Petersburg, veranderde in een tijgerin en liet me alle hoeken van de kamer zien; ik was na anderhalf uur geradbraakt. Maar Kunthi, uit Djakarta, was de tederheid zelve. Die heeft mijn hele lijf afgelikt met haar kleine, roze tongetje. Geen enkel plekje heeft ze overgeslagen.’ Hij keek genietend in de verte. ‘En Angélique, op de Champs Elysées in Parijs, die heeft me bemind met haar creditcard.’

     ‘Met haar creditcard?’

     Hij knikte voldaan. ‘Ze was rond de vijftig en stinkend rijk. Daar had ik haar op uitgekozen. We hebben anderhalf uur geshopt en daarna heb ik bijna een jaar als een vorst geleefd van het geld dat ik kreeg voor al die horloges en vulpennen. Ze voelde aan wat ik wilde, en voor haar was pure liefde: dure cadeaus kopen. Dus eh… er was echt een klik tussen ons…’

     Ik grijnsde mee. In gedachten zag ik Michiel langs de juweliers lopen, met een Parijse taart aan zijn arm. ‘En anderhalf uur, zo lang duurt het?’

     ‘Ja, daarna is het helemaal weg.’

     ‘Maar herinneren ze het zich wel?’

     ‘Ze weten precies wat er is gebeurd. Ze zijn ook volkomen helder, hoor, tijdens de roes! Ze zijn niet dronken of high of zo; ze weten alleen niet waar ze het moeten zoeken van verliefdheid en geilheid en… overgave, Thijs. Totale overgave.’

     ‘Ik geloof het niet.’

     Hij moest lachen. ‘Dan niet! Probeer het maar uit.’

     ‘Ik pieker er niet over. Weet ik veel wat voor gif erin zit. Ik kijk sowieso goed uit met pillen en drugs, anders lig ik straks ook in het portiek.’

     ‘Heel verstandig. Maar dit spul moet je ook niet zelf slikken; je moet het aan een ander geven, dat is de lol. En ze krijgen er verder niks van, hoor.’

     ‘Hoe heb je het ze eigenlijk laten slikken?’

     ‘Je gooit het in een glas water of frisdrank of wijn. Het lost op, je ziet er niets van. En ze proeven ook niks van, ze drinken het zo op.’

     ‘Heb je er zelf ook een genomen?’

     ‘Nee, waarom zou ik? Als ik nou een hele pot vol had.’

Ik schonk nog twee wodka-jus in en dacht na. ‘Maar zijn ze dan niet boos op je, achteraf, als ie is uitgewerkt?’

     ‘Nee, natuurlijk niet, want ze weten immers niet dat het door die pil komt. Ze zijn wel flink in de war,’ grinnikte hij, ‘want ze hebben geen idee wat ze ertoe heeft gebracht om zich op je te storten.’

     ‘Hoe kom je eigenlijk aan dat spul?’

Michiel vertelde dat hij de pillen jaren geleden had gekregen van een Egyptenaar, ene Ghalib, die hij had geholpen om een paar straatrovers van zich af te meppen in de kleine straatjes bij de Ramblas in Barcelona. Het middel was een overblijfsel uit een reeds lang verstomd verleden, had Ghalib hem verteld. In het oude Egypte werd het gebruikt voor de vrouwen en de bijvrouwen van de farao; als die stierf dan moesten zij samen met hem worden begraven, levend en wel, dat eiste het ritueel. Maar niet iedere vrouw liep zomaar vrijwillig het trapje van de tombe af om naast de sarcofaag plaats te nemen. Een scène bij het graf zou de plechtigheid verstoren en als ze de vrouwen bedwelmden, dan zouden die als een zombie dat graf in wankelen; dat was ook geen gezicht. Daarom ontwikkelde men voor deze vrouwen een pil. Ze ontvlamden daardoor in zo’n hevige liefde voor de farao, zo dood als hij was, dat ze vrijwillig in het graf afdaalden, met een stralend gezicht, hoewel ze wisten dat het boven hun hoofd zou worden gesloten. Na anderhalf uur lag er allang een dikke stenen plaat op de opening en dan had niemand meer last van eventueel gegil. Ik huiverde. ‘Er zijn nog drie van die pillen op de wereld en die zitten in dit doosje.’

     ‘Dit zijn de allerlaatste?’

     ‘Ja. Het recept is verloren gegaan en het is nooit gelukt om ze na te maken.’

     ‘En die geef je aan mij?’

     ‘Ik heb ze gekregen van die Ghalib omdat ik hem had geholpen en hij vroeg mij om er minstens drie door te geven aan iemand die mij ergens bij zou helpen. En ik vraag nu aan jou om er zelf twee te gebruiken en de allerlaatste door te geven aan iemand die iets voor jou doet.’

Hoewel ik het verhaal superspannend vond, geloofde ik het niet echt. Bovendien: stel dat het wél klopte, dan kon ik me toch niet voorstellen dat ik ooit iemand zo’n pil zou geven. Dat zei ik tegen Michiel. Ik vond het immoreel, omdat je iemand feitelijk tegen zijn zin dwong tot seks, een soort chemische verkrachting als het ware. En diegene zou zich alles herinneren, dus die was achteraf totaal van de kaart. Dat kon je iemand toch niet aandoen? Michiel haalde zijn schouders op. Bovendien, zo zei ik, had ik het ook niet nodig. Ik kon zo veel seks krijgen als ik wilde, met mannen die ik aantrekkelijk tot zeer aantrekkelijk vond. Ik zei dat dat bij hetero’s misschien anders lag. ‘Nou en of!’ zei Michiel hartgrondig. Maar ik, ik hoefde immers alleen maar op Gayromeo of op Grindr te kijken en in no time had ik een geile kerel te pakken. Of ik ging naar de McFuck. Sommige mannen waren onbereikbaar voor mij, toegegeven, maar waarom zou ik die per se moeten hebben? Eerlijk gezegd was het voor mij, als aantrekkelijke homo, domweg mijn eer te na, om een vent te drogeren zodat hij seks met me wou hebben, terwijl hij dat niet zou willen als hij helder was.

     En als ik nu zélf smoorverliefd zou zijn op iemand, maar diegene niet op mij? Dan zou ik het al helemaal niet willen. Die man zou dan seks met me hebben door die pil en dat zou misschien best heel aangenaam zijn, maar dan zou ik toch een ontzettende kater hebben als de pil was uitgewerkt en hij daarna niet meer met me wilde vrijen? En hij daar op de rand van het bed zat, met zijn handen in zijn haar? Brrr… Kortom, als Michiel nou een zak vol had gehad van dat spul, dan had ik gezegd: doe er maar een paar, voor de lol, maar als het de laatste drie op de wereld waren, dan kon hij er beter een ander gelukkig mee maken.

‘Kan je nou werkelijk niemand bedenken met wie je heel graag een keer seks zou willen hebben, maar die jou niet ziet staan?’ vroeg Michiel ongelovig. ‘Omdat ie bijvoorbeeld hetero is?’

     Ik keek hem peinzend aan. ‘Een hetero, met wie ik heel graag eens…’ Ik moest denken aan de geile Surinaamse jongen die werkte bij de groenteboer waar ik vaak kwam, met zijn strakke spijkerbroek. Ik kwam daar eigenlijk alleen vanwege die jongen en ik kocht altijd de groenten die achter hem op de grond stonden, want dan moest hij zich omdraaien en diep bukken en dan kon ik lekker naar die gespierde kont van hem kijken. ‘Nee, doe er nog maar wat bij,’ zei ik dan steevast. Soms kwam ik thuis met groenten die ik helemaal niet lustte; maar ja, je moest er iets voor over hebben. Maar waarom al dat gedoe met zo’n pil om per se die jongen te krijgen? Er waren genoeg donkere jongens op de chat, meestal bi, of bi-curious, en ik deed het doorgaans goed bij die gasten… Waarom zou ik zo nodig met een hetero moeten die eigenlijk geen zin in me had? Wat moest ik… Plotseling voelde ik het bloed kolkend naar mijn hoofd stijgen, maar met een heftigheid die ik me niet kon herinneren, van welke eerdere gelegenheid dan ook. Mijn gezicht en mijn oren werden bloedheet, maar ook mijn hals en mijn schouders, ja, tot halverwege mijn borstkas voelde ik de vurige gloed. Mijn hoofd klopte en bonkte en mijn mond werd kurkdroog. Ik wist letterlijk niet waar ik moest kijken van gêne en kneep mijn ogen stijf dicht.

     ‘Zie je wel!’ schaterde Michiel. ‘Zíe je wel dat je iemand weet!’

     ‘Nee!’ kreunde ik schor. ‘Geen sprake van! Nee, never. O, wat érg…!’ In een flits was Sjoerd voor me verschenen, zoals ik hem vandaag weer had zien zitten telefoneren: ver naar achteren geleund in zijn stoel, zijn lange benen rustend op het bureau, enthousiast pratend in het toestel, wild met zijn hand gebarend, alsof de ander daar iets van kon zien.

     ‘Wie is het?’ vroeg Michiel nieuwsgierig. Ik vertelde hem dat ik even, héél even maar, had moeten denken aan mijn baas bij het reclamebureau, maar dat ik die voor geen goud zou belazeren met zo’n pil en dat ik me er diep voor schaamde om daar zelfs maar aan te dénken, ook al was het in een flits.

     Michiel zette het doosje op tafel en stond op. ‘Je ziet maar wat je ermee doet, Thijs. Van mijn part geef je ze alledrie aan iemand cadeau. Maar ik loop er al een hele tijd mee rond en ik wil ervan af. Ik heb die Ghalib destijds beloofd om ze door te geven aan iemand die iets voor me zou doen, en dat ben jij. Bedankt voor het lekkere eten en het leuke gesprek. Ik ga ervandoor.’

     Ik keek naar buiten. ‘Moet je nou die sneeuw in? Met je zere been?’

     ‘No sweat, ik ben het gewend. En zolang ik mijn poot recht kan houden, gaat het prima.’ Hij pakte zijn rugzak. Ik hielp hem de trap af. Bij de voordeur gaf hij me een hand. ‘Nogmaals bedankt, Thijs.’

     ‘Graag gedaan. Jij bedankt voor je cadeautje.’ Ik aarzelde even. ‘Hé Michiel, als je nou nog eens zo’n honger hebt dat je bereid bent om je eigen kots te eten, en je bent toevallig in de buurt, dan bel je maar aan.’

     Hij glimlachte. ‘Cool, man.’ Toen draaide hij zich om en verdween hinkend in de witte nacht.

Ik schonk mezelf nog een wodka-jus in en staarde naar het doosje op de tafel. Kulverhaal. Hoe kon dat nou, een pil die het na zoveel duizenden jaren nog steeds deed? Pillen van de apotheek moet je binnen een jaar gebruiken. En als al die mensen dat voorraadje sindsdien hadden doorgegeven, en er allemaal zelf het nodige van hadden uitgedeeld, dan moest dat in het begin toch een kist vol pillen zijn geweest? Wie ging er nou een kist vol pillen maken, als ze er alleen een keer in de dertig jaar een handvol, of van mijn part honderd, nodig hadden? Konden ze überhaupt al pillen maken in die tijd? Nee, er klopte geen moer van, dat was wel duidelijk. Maar het was een leuk verhaal om nog eens te vertellen in de kroeg. Ik zette het doosje in de vensterbank. Nee, toch maar niet in het volle zonlicht. Je wist maar nooit. Liever in een donkere kast.

     Daar kwam het terecht en het zou maanden duren voor ik er weer aan dacht.

 

Lees meer