The fog of war

The fog of war

 

– 1 –

Theo tilde de klep van de kachel op en keek erin. Een mooie, rode gloed. Het vroor stevig buiten, maar in de keuken van de boerderij was het behaaglijk. Zou hij er nog wat op gooien? Hij draaide zich om. Evert zat aan tafel te roken. ‘Ik ga zo pitten,’ zei Theo. ‘Moet er nog hout in de kachel?’

     ‘Doe maar, hoor; ik neem nog een borrel. Wil jij ook nog?’

     ‘Nou, wat graag!’ Evert vulde de twee glazen op tafel. Met echte jenever. Die had Theo al in geen tijden meer gehad. Niks geen zelfgestookte rotzooi, van aardappels of suikerbieten of god weet wat, maar échte jenever!

     Theo gooide twee flinke houtblokken op het vuur; vooruit, het kon eraf, er lag nog dertig kuub in de houtstal. Hij ging weer tegenover Evert zitten en hief zijn glas naar hem. ‘Proost! Op de terugkeer van de jongens.’ Evert dronk zijn glas in één teug leeg. Theo nipte aan het zijne en staarde voor zich uit.

Ze zaten hier nu al drie dagen met zijn tweeën. Gerard en Andries waren vertrokken voor een verkenningstocht. Ze hadden volgens plan al lang bij hen terug zullen zijn op de uitvalsbasis. Theo was op van de zenuwen geweest toen ze twee uur na de afgesproken tijd nog altijd niet waren komen opdagen, maar Evert had hem een mietje genoemd; dat gebeurde zo vaak, had hij onverschillig gezegd. En inderdaad was er al snel een bericht gekomen, via Anna, een betrouwbare verbinding, dat het zaakje anders was gelopen, maar dat ze allebei in veiligheid waren en dat ze over een week weer zouden verschijnen. En dat Evert en Theo gewoon moesten wachten op nader bericht. Dus wachtten ze. Opdracht was opdracht. Ze hadden voor weken te eten en te drinken. En goed ook. De illegaliteit was uitstekend georganiseerd, Theo kon niet anders zeggen. Die gasten wisten wat ze deden, hoor!

     Theo zat nog niet zo lang bij het verzet; hij had zich pas na lang dubben aangemeld. Hij had een hele tijd met zijn ziel onder zijn arm gelopen, popelend om iets te ondernemen tegen de bezetters. Toen de oorlog begon, had hij in het café gewerkt, in de hoofdstraat van het dorp. Een goedlopende zaak, waar iedereen kwam. Maar na de Duitse inval werd alles steeds duurder, terwijl de mensen ieder dubbeltje moesten omdraaien. Uiteindelijk was er niks meer te krijgen en waren er geen klanten meer en hield het op voor het café. Theo verloor zijn baan en kwam thuis te zitten, bij zijn moeder en zijn twee jongere zusjes; zijn vader was al lang voor de oorlog overleden.

     Van de stoere jongens uit het dorp die vroeger in het café over de vloer kwamen, schenen er inmiddels een boel bij het verzet te zitten. Theo’s wens om zelf in actie te komen tegen de Duitsers had de doorslag gegeven bij zijn besluit, zeker, maar eerlijk gezegd ook het vooruitzicht om zich los te maken van zijn moeder en zusjes en op te trekken met andere jonge mannen. Wat dat aanging was het pech dat hij hier nu met Evert zat opgescheept. Evert was rond de vijftig en dik. En hij had vissenogen. Theo had hier liever drie dagen met Andries doorgebracht! Andries was een ferme kerel van midden twintig, gespierd, met een leuke kop met bruine krullen. Nee, drie dagen samen met Andries op een verlaten boerderij, met een paar kruikjes jenever, wie wist wat daar nog uit voort was gekomen! Hij grinnikte bij zichzelf, want hij wist dat het lariekoek was. Andries was een mooie jongen en nog een geschikte vent ook, maar Theo kon zich niet voorstellen dat Andries belangstelling voor hem zou hebben. Andries was op en top een ‘gewone’ jongen.

 

Lees meer