Voor een zak zilveren daalders

Voor een zak zilveren daalders

 – 1 –

Het was juni. Het was aan het eind van de ochtend en het was stervensheet. Het was moeilijk om je voor te stellen dat het nog heter kon worden, en toch wist je dat het zou gebeuren. We waren aan het werk op het veld van mijn oom, met twaalf jongens en mannen. In een lange rij maaiden we met onze zeisen de tarwe. Ik stond naast mijn broertje te werken, zoals altijd.

Ik zei nog steeds ‘broertje’ tegen Jíri, hoewel hij al zestien was. Maar ik was drie jaar ouder en ik had altijd ‘broertje’ tegen hem gezegd, zoals hij tegen mij altijd ‘broer’ zei. We waren dat gewend.

We leken veel op elkaar, maar omdat ik drie jaar ouder was, was ik groter en breder dan hij. Sterker ook, natuurlijk. Jíri was ook behoorlijk sterk, zeker voor een jongen van zestien, maar vooral was hij snel en behendig. Bij het worstelen had ik vroeger altijd gewonnen door mijn grotere lichaamskracht en door mijn gewicht, maar inmiddels gebeurde het af en toe dat Jíri won, omdat hij vindingrijker was dan ik en sneller reageerde.

Jíri stond schuin voor me, want zijn tempo lag wat hoger dan het mijne. Ik zag hoe hij met vlotte, goed gerichte halen de tarwe deed vallen, en ik zag het gemak waarmee hij zijn lichaam bewoog; zo vloeiend als hij de regelmatige bewegingen met zijn zeis uitvoerde, leek het wel een dans. Ik bewoog me strammer. Daar stond tegenover dat ik het veel langer volhield. Jíri blonk altijd uit, bij alles wat ie deed, maar het duurde nooit lang. Dan verloor hij zijn belangstelling of was hij moe. Ik niet. Ik deed alles langzaam en grondig en ging net zolang door tot het af was. Toen onze vader nog leefde, vergeleek hij ons vaak met twee paarden: Jíri was als het beste renpaard van een rijk en machtig heer, dat wegstuift, in een oogwenk over de renbaan raast en alle gasten in vervoering brengt, maar dat al na tien minuten op apengapen ligt; ik was als het geduldige en onvermoeibare werkpaard, dat jarenlang de drijvende kracht is van het boerenbedrijf en de hele familie van voedsel voorziet.

Op dit moment, tijdens het maaien, genoot ik ervan om te zien hoe soepel Jíri’s bewegingen waren, hoe sierlijk zelfs.

Ik kon dat heel precies waarnemen, tot en met het aanspannen van elke afzonderlijke spier, want zijn hemd en broek waren hem een heel stuk te klein. Dat gold voor meer jongens op het veld, want de pachters waren arm. Onze werkkleding werd veel te ruim gemaakt – op de groei – en door haar eindeloos te verstellen zo lang mogelijk gebruikt. Zó was het ons hele leven gegaan: ik kreeg nieuwe kleren, veel te groot, en Jíri droeg ze na mij, tot ze hem veel te klein geworden waren of van ellende uit elkaar vielen.

Wanneer hij zijn schouders van rechts naar links zwenkte bij het maaien van een rij, met zijn benen licht gespreid, zijn knieën iets gebogen en zijn bovenlichaam wat naar voren gekanteld, zag ik dwars door zijn te krappe kleding, waarvan het linnen door jaren van dragen en wassen vliesdun was geworden, hoe de spieren van zijn armen en schouders, van zijn rug en van zijn billen en dijen zich spanden.

De Moravische zon brandde in deze tijd van het jaar meedogenlozer op onze lijven dan ooit en onze kleren waren nat van het zweet. Dat gaf een aangename verkoeling als er een briesje stond, maar bij windstil weer trok het steekvliegen aan; dat was een ware kwelling, door de grenzeloze hardnekkigheid waarmee ze bleven aanvallen, telkens opnieuw, net zolang tot zij ons hadden gestoken of wij hen hadden doodgeslagen. Vandaag was er van tijd tot tijd een windvlaag, goddank. Doordat Jíri’s hemd en broek doorweekt waren, zeker midden op zijn rug en tussen zijn billen, kon ik zijn spieren zich des te duidelijker zien aftekenen onder de ragdunne, strakgespannen stof. Zijn rug was breed in de schouders, maar opvallend smal in de taille. Zijn billen waren niet groot, maar stevig en rond. Zo veel als we op elkaar leken, vond ik Jíri’s lichaam toch mooier van vorm dan het mijne. Ik was wat plomper dan hij. Hoekiger.

En niet alleen was hij mooier dan ik en bewoog hij zich soepeler, ook verhield Jíri zich tot zijn lichaam op een manier die ik alleen maar kon bewonderen: hij ontblootte op het veld met een vanzelfsprekend gemak zijn geslacht om te wateren, gewoon, waar alle mannen naast stonden; als hij zich ontlastte, dan trok hij zich wel even terug in de bosjes, maar hij zette zonder enige gêne luidkeels zijn gesprekken voort terwijl hij daar bezig was; en hij krabde zich altijd gedachteloos tussen zijn benen of aan zijn achterste als hij jeuk had, zonder zich af te vragen of iemand dat kon zien. Ik was een heel stuk terughoudender in die dingen.

Al zolang als ik me kon herinneren had ik het heel plezierig gevonden om naar Jíri te kijken. Met kleren aan, maar ook zonder. Bij het uitkleden voor de nacht en vooral tijdens het wekelijkse bad. In de zomer, tenminste. In de winter gingen we in bad in de keuken, het enige vertrek dat werd gestookt. En daar zaten dan ook de dochters van mijn oom en tante, bij wie Jíri en ik waren gaan inwonen nadat onze ouders waren gestorven, dus in die keuken werd achter een kamerscherm gebaad, en dan zag ik Jíri niet.

Maar ’s zomers baadden we op onze kamer. Hij ging altijd eerst en daarna ik. In hetzelfde water. Dat was zo gegaan vanaf onze vroegste jeugd. In de tijd dat zij Jíri nog waste, zei onze moeder altijd: ‘Grote jongens hebben geen last van klein vuil, maar kleine jongens wel van groot vuil.’ En dus zat ik van jongs af aan naast de teil te wachten tot Jíri klaar was. Ik vond het heel prettig om naar hem te kijken, terwijl hij geknield in het lauwwarme water zat en zichzelf waste.

Ik zag dan hoe hij eerst zijn gezicht en zijn haar waste en hoe hij daarna zijn bovenlichaam inzeepte: zijn nek en zijn schouders, zijn oksels, en zijn borst en zijn rug. Daarna zeepte hij zijn buik in, en zijn geslacht. Met zijn ene hand wreef hij de zeep uit over zijn lid en met zijn andere hand over zijn balzak, die hij daarbij zacht masseerde. Zijn geslacht mocht er zijn. Het was nog altijd duidelijk kleiner dan het mijne, maar het verschil was met het verstrijken van de jaren wel afgenomen. Dat zag ik, maar Jíri zag het natuurlijk ook, want als ik mij waste, dan keek hij net zo onbeschroomd naar mij als ik naar hem. Hij zei soms lachend dat hij mij spoedig zou inhalen.

Bij het wassen van zijn geslacht trok hij zijn voorhuid terug en wreef dan met zijn duim en wijsvinger het water in rondjes om de rand van de eikel; eerst linksom, daarna rechtsom. Vervolgens was zijn achterwerk aan de beurt. Hij draaide met zijn beide handen cirkels over zijn billen, en bewoog daarbij zijn handen gaandeweg naar het midden. Dan trok hij met zijn linkerhand zijn linkerbil opzij, en ging met de vingers van zijn rechterhand zijn bilspleet in; daar was hij nog steeds niet behaard. Ik wel. Allang. Hij zeepte zich in, en ik wachtte altijd op het ogenblik waarop hij met zijn vinger bij zichzelf naar binnen ging. Ik zat doorgaans schuin achter hem, zodat ik dat kon zien. Hij ging dan met de laatste twee kootjes van zijn middelvinger zijn anus in, draaide twee keer een rondje, en haalde de vinger er weer uit. Als hij daarmee klaar was, begon ik me altijd uit te kleden, terwijl hij zijn benen en voeten waste. Tot slot goot hij met een beker het lauwwarme water over zijn lichaam om de zeepresten af te spoelen. Dan stapte hij uit de teil, en ik erin, en dan waste ik me in hetzelfde water, terwijl Jíri zich afdroogde en aankleedde en we met elkaar kletsten. Ik was me er altijd bewust van dat ik mijn lichaam waste met het water waarmee hij net het zijne had gewassen. Maar ik was er niet vies van. De uitspraak van mijn moeder, dat ik geen last had van zijn vuil, had zich te zeer in mij geworteld. Ook in het heetst van de zomer, als we ons wasten in koud water, waaraan nooit een gebrek was, had ik niet de minste behoefte om vers badwater voor mezelf te nemen.

Ik kende ieder detail van Jíri’s lichaam, wist elke moedervlek te zitten, zag puistjes komen en gaan en wist precies hoe het met zijn schaamhaar stond: op dit moment een pluizig plukje boven zijn geslacht.

 Lees meer